Klimaatclassificatie van Köppen
 
 
De klimaatclassificatie van Köppen is een van de meest gebruikte klimaatclassificatiesystemen. Het werd voor het eerst gepubliceerd door de
Duits-Russische klimatoloog Wladimir Köppen (1846-1940) in 1884, met een aantal latere wijzigingen door Köppen, met name in 1918 en 1936. Later bracht de klimatoloog Rudolf Geiger (1894-1981) enkele wijzigingen aan in het classificatiesysteem, dat daarom ook wel het Köppen-Geiger-klimaatclassificatiesysteem wordt genoemd.
 
Omdat Köppen het systeem ontwierp op basis van zijn ervaring als botanicus, zijn zijn belangrijkste klimaatgroepen gebaseerd op de soorten vegetatie die in een bepaald classificatiegebied groeien. Naast het identificeren van klimaten, kan het systeem worden gebruikt om ecosysteemomstandigheden te analyseren en de belangrijkste soorten vegetatie binnen klimaten te identificeren. Vanwege de link met het plantenleven van een bepaalde regio, is het systeem nuttig bij het voorspellen van toekomstige veranderingen in het plantenleven in die regio.
 
Het klimaatclassificatiesysteem van Köppen is in het midden van de jaren zestig (herzien in 1980) verder aangepast binnen het klimaatclassificatiesysteem Trewartha. Het Trewartha-systeem probeerde een meer verfijnde klimaatzone op de middelste breedtegraad te creëren, wat een van de kritieken was op het Köppen-systeem.
 
 
Het klimaat is in vijf hoofdgroepen ingedeeld met ieder een aparte hoofdletter
 
A-klimaten - tropische klimaten:
Gemiddelde temperatuur van de koudste maand is niet lager dan 18 °C.
 
B-klimaten of droge klimaten (aride klimaten):
Te weinig neerslag voor boomgroei en permanente rivieren kunnen hier niet hun oorsprong hebben. De classificatie wordt bepaald aan de hand van
de door Köppen gebruikte droogte-index, die uitgaat van de verhouding tussen de jaarlijkse neerslag en de (potentiële) verdamping.
 
C-klimaten of zeeklimaat (maritieme klimaten):
Gemiddelde temperatuur van de koudste maand is niet lager dan -3 °C en niet hoger dan 18 °C,
gemiddelde temperatuur van de warmste maand is hoger dan 10 °C
 
D-klimaten of landklimaten (continentale klimaten):
Gemiddelde temperatuur van de koudste maand is lager dan -3 °C,
gemiddelde temperatuur van de warmste maand is hoger dan 10 °C.
 
E-klimaten of poolklimaten (polaire klimaten):
Gemiddelde temperatuur van de warmste maand is niet hoger dan 10 °C.
Het hele jaar is het iedere maand dus (gemiddeld over 30 jaar) kouder dan 10 °C.
 
Deze hoofdgroepen worden onderverdeeld in twee of drie subgroepen, gebaseerd op het verloop van neeslag en temperatuur over het jaar.
Iedere groep op ieder niveau krijgt een letter. De 5 hoofdgroepen krijgen ieder een aparte hoofdletter (A t/m E). De 2 kleinere niveaus krijgen ieder een kleine letter erachter geplakt. Zo kun je bijvoorbeeld een warm maritiem klimaat hebben, met neerslag in alle seizoenen (Cfa). De B- en E-klimaten krijgen ieder nog een hoofdletter als 2e letter. In sommige gevallen word ook een 4e letter toegekend.
 
1e indeling  2e neerslagverdeling  3e temperatuurverschil  2e letter 
  A Tropishch klimaat
  f Regenwoud
  m Moesson
  w of s  Savanne
   
  B Droog klimaat
  S Steppe
  W Woestijn
  h Heet
  k Koud
  s Droog in de zomer
  w Droog in de winter
  C Gematigd klimaat
  s Droge zomers
  w Droge winters
  f Zonder droog seizoen
  a Warme zomers
  b Gematigde zomers
  c Koele zomers
 
  D Landklimaat
  s Droge zomers
  w Droge winters
  f Zonder droog seizoen
  a Hete zomers
  b Warme zomers
  c Koele zomers
  d erg koude winters
 
  E Poolklimaat
  T Toendra
  F IJskap
  H Hoorgebergte
   
 
Groep A:  Tropisch klimaat
 
 
Een tropisch klimaat is een klimaat dat voorkomt in de tropen. Volgens de klimaatclassificatie van Köppen is het een niet-droog klimaat waarbij in de koudste maand van het jaar de gemiddelde temperatuur niet lager is dan 18°C. Köppen karakteriseert het zijnde een hoofdklimaat als het A-klimaat.

Het wordt gekenmerkt doordat elke maand een gemiddelde temperatuur van meer dan 18 °C heeft en de jaarlijkse regenval hoger is dan de verdamping van ongeveer 2500 mm per jaar bij de evenaar tot 800 mm in de savannes. Onder deze omstandigheden komen regenwouden
meestal voor.
Lees meer over A-klimaten
 
De tweede letter verwijst naar de neerslagverdeling
 
- f: constante regenval. Het hele jaar door regen
- m: constante regenval met uitzondering van enkele droge maanden en overdreven regenval in sommige maanden
- w: droge periode in de winter
 
Af: tropisch regenwoudklimaat
Het tropisch regenwoudklimaat wordt gekenmerkt doordat de droogste maand van het jaar een gemiddelde maandneerslag heeft van meer
dan 60 mm en, zoals alle tropische klimaten, komt de gemiddelde temperatuur van elke maand niet onder de 18 °C uit.
 
Dit klimaat wordt beheerst door de lagedrukgebieden van de intertropische convergentiezone en kent mede daardoor geen natuurlijke seizoenen. Sommige plaatsen zijn het hele jaar door onafgebroken nat, maar de meeste plaatsen kennen wel een periode waarin het duidelijk natter is. Deze regentijd ontstaat onder andere onder invloed van de bewegingen van de tropische regenzone en komt meestal twee keer per jaar voor. De tijden daartussenin noemt men de droge tijd. Echter in een tropisch regenwoudklimaat is het nooit langdurig droog, dit in tegenstelling
tot andere tropische klimaten.
Lees meer over het tropisch regenwoudklimaat
 
Am: moessonklimaat
Het moessonklimaat is een tropisch klimaat dat wordt gekenmerkt door de moesson. Buiten deze zeer natte periodes kent het klimaat langdurige droge periodes. In de klimaatclassificatie van Köppen staat het klimaat bekend als het Am-klimaat. Volgens Köppen moet het klimaat, zoals alle tropische klimaten, een temperatuur hebben die niet lager is dan 18 graden Celsius, en is er ten minste één maand in het jaar met een gemiddelde maandneerslag van minder dan 60 mm. Hierbij moet de jaarlijkse neerslagsom bij een droogste maand van 0 mm hoger zijn dan 2500 mm en bij een droogste maand van 60 mm hoger zijn dan 1000 mm. Als de droogste maand meer dan 60 mm neerslag heeft dan spreken we over een tropisch regenwoudklimaat.
Lees meer over het Moesonklimaat
 
Aw/As: tropisch savanneklimaat
Het tropisch savanneklimaat of gewoon savanneklimaat is een tropisch klimaat waarin een duidelijk droog seizoen voorkomt.
In de klimaatclassificatie van Köppen staat het klimaat bekend als het Aw-klimaat of het zeer zeldzame As-klimaat. Volgens Köppen moet het klimaat, zoals alle tropische klimaten, elke maand een gemiddelde temperatuur hebben van 18°C of hoger en is er ten minste een maand in het jaar met een gemiddelde maandneerslag van minder dan 60 mm. Hierbij mag de jaarlijkse neerslagsom bij een droogste maand van 0 mm niet hoger
zijn dan 2500 mm en bij een droogste maand van 60 mm niet hoger zijn dan 1000 mm.
 
Zoals de naam al zegt komt het klimaat voor op onder andere de savanne. Daarnaast komt het ook op andere plekken voor rond de savanne,
zoals onder andere in licht tropische wouden en de hogere plateaus in de tropen. Het komt meestal voor als een overgang van een tropisch regenwoudklimaat naar een steppeklimaat of naar een warm chinaklimaat. Dat laatste klimaat wordt soms ook het gematigd savanneklimaat genoemd. Het klimaat komt voor in Zuid- en Midden-Amerika, Afrika, India, Zuidoost-Azië en Noord-Australië.
 
Het tropische savanneklimaat heeft vrijwel zonder uitzondering zijn droge periode gedurende het jaargetijde dat de zon lager aan de horizon staat
en krijgt daarom volgens Köppen het label Aw mee (de "w" staat voor winterdroogte). Op enkele zeldzame plekken in de wereld komt het echter voor dat het juist andersom is en de droge periode plaatsvindt wanneer de zon hoger aan de horizon staat, men noemt dit dan een As-klimaat.
Dit komt bijvoorbeeld voor op Hawaï, Sri Lanka en in Somalië. 
Lees meer over het tropisch savanneklimaat
 
Groep B:  Droge klimaten en andere klimaten
 
 
Een steppeklimaat of halfwoestijnklimaat is een aride of droog klimaat waar nog voldoende neerslag is voor enige lage begroeiing.
De natuurlijke begroeiing in steppeklimaten is steppe, een droog grasland waar geen bomen groeien. In nattere omstandigheden komen ook
struiken voor. In drogere omstandigheden is de begroeiing schaarser en is sprake van een halfwoestijn. Ongeveer 14% van het aardoppervlak
heeft een steppeklimaat.
 
De twee factoren die bepalen of er te weinig vocht is voor begroeiing zijn de neerslag en de gemiddelde temperatuur. Meer neerslag betekent meer vocht in de bodem. Vochtigere bodems kunnen meer begroeiing herbergen. Als de temperatuur hoger is, is er echter meer verdamping. Er is dan minder vocht beschikbaar voor de groei van vegetatie. Wanneer de neerslag voornamelijk in de zomer valt, is eerder sprake van een aride of droog klimaat. De hoeveelheid vocht die door evaporatie of verdamping verdwijnt is groter in de zomer, omdat de temperatuur dan hoger is. Als gevolg blijft er ook minder vocht voor de voeding van de begroeiing. Als de neerslag voornamelijk in de winter valt, zal juist minder van het vocht verdampen, en is minder snel sprake van een aride of droog klimaat
 
S: de gemiddelde jaarlijkse neerslag ligt tussen 50% en 100% van de berekende drempelwaarde voor een droog klimaat
    (afhankelijk van seizoensinvloeden).
W: de gemiddelde jaarlijkse neerslag ligt tussen 0% en 50% van de genoemde drempelwaarde
 
De derde letter verklaart de temperaturen:
 
h: gemiddelde jaartemperatuur gelijk aan of hoger dan 18 °C
k: gemiddelde jaartemperatuur lager dan 18 °C
 
BS = Semi-aride of steppeklimaat
Neerslag is tussen 50% en 100% van de bovengenoemde drempel. Ongeveer 500 mm per jaar. Onder deze omstandigheden is de vegetatie schaars. Dit klimaat staat in sommige regio's bekend als droog mediterraan omdat het vaak een overgangsklimaat is tussen Csa (mediterraan) en BW (woestijn). Het komt voor in steppegebieden, halfwoestijnen of gebieden voorafgaand aan woestijnen, op alle continenten behalve Antarctica.
 
BSh = Heet semi-aride of Warm steppeklimaat
De gemiddelde jaartemperatuur ligt boven 18 °C, inclusief tropische en subtropische halfwoestijnen. De gemiddelde jaarlijkse neerslag ligt tussen de 300 en 700 mm. De vegetatie is gevarieerd en benadrukt de semi-woestijn van xeric struikgewas en vetplanten; er zijn soorten savanne zoals de droge savanne, de struik of de beboste savanne; Het droge bos ontwikkelt zich ook, en in de gebieden waar het droge seizoen de zomer is,
worden het mediterrane bos en struikgewas gevonden.
Lees meer over warme steppeklimaat
 
BSk - Koud semi-aride of koud steppeklimaat
De Steppe of gematigd en koud halfdroog klimaat (BSk): De gemiddelde jaartemperatuur is lager dan 18 °C, inclusief gematigde en koude halfwoestijnen. De gemiddelde jaarlijkse neerslag is ongeveer 250 tot 500 mm. De vegetatie is xerofytisch struikgewas, mediterrane sclerofiele vegetatie en vooral gevarieerde steppe die gematigd, koud, bergachtig, alpine, continentaal kan zijn met koude winter of droge toendra.
Lees meer over het koude steppenklimaat
 
BW = Aride of woestijnklimaat
Het woestijnklimaat beslaat 12% van het aardoppervlak. Er valt bijna geen neerslag (minder dan 200 mm per jaar), maar als het een keer regent (één keer in de paar jaar) komt het met grote hoeveelheden tegelijkertijd uit de hemel. Het woestijnklimaat kent een groot temperatuurverschil tussen dag en nacht. Overdag is het tussen de 25 en 45 °C en 's nachts kunnen de temperaturen in enkele gebieden onder het vriespunt dalen.
 
De grond in dit klimaat is droog, onvruchtbaar en bestaat meestal uit zand en rotsen. In gebieden met dit klimaat wonen daarom ook heel weinig mensen. Er is weinig begroeiing, voornamelijk sterke planten die lang zonder water kunnen, zoals cactussen en andere succulenten. In de buurt van een oase groeien soms palmen. Het woestijnklimaat komt vooral voor in de Sahara, Arabië , Australië, en op hoog gelegen droge vlaktes in bergen.
Lees meer over het droge woestijnklimaat
 
BWh: warm woestijnklimaat
Het hete dorre, hete woestijn- of Saharaklimaat is een soort dor klimaat met een gemiddelde jaartemperatuur van meer dan 18°C ​​en een regenval van ongeveer 250-300 mm. Volgens de klimaatclassificatie van Köppen wordt het gedefinieerd als BWh, waarbij B=droog klimaat, W=woestijn.
Het is het meest uitgebreide type klimaat, dat 14,2% van het landoppervlak van de wereld inneemt en ongeveer een zesde van de wereldbevolking
in woestijngebieden leeft.
 
Er is veel zoninstraling, in de orde van 80 tot 90% van de dagperiode. In de Sahara-woestijn is de zonnestraling de hoogste ter wereld,
met 97 tot 98%. Het is gebruikelijk om meer dan 300 zonnige dagen per jaar te hebben.
Lees meer over het warme woestijklimaat
 
BWk: koud woestijnklimaat
Het gematigde en koude droge klimaat is een type droog klimaat geclassificeerd als BWk dat wordt gekenmerkt door een gemiddelde jaartemperatuur van minder dan 18 ° C en neerslag van minder dan ongeveer 200 of 250 mm per jaar. Het is een soort klimaat dat eigenlijk het droge gematigde klimaat, het bergklimaat, het continentale klimaat en zelfs de alpiene droge en droge toendra samenbrengt. Volgens de klimaatclassificatie van Köppen wordt het gedefinieerd als BWk, waarbij B=droog klimaat, W=woestijn en k=koud.
Lees meer over het koude woestijnklimaat
 
Groep C:  Gematigd klimaat
 
 
Dit type klimaat heeft de koudste maand gemiddeld tussen 0 °C of -3 °C en 18 °C en ten minste één maand gemiddeld boven 10 °C.
Voor de verdeling van neerslag over locaties die zowel voldoen aan een droge zomer (KZ) als aan een droge winter (KW), wordt een locatie geacht een natte zomer (KW) te hebben wanneer er meer neerslag valt in de zomermaanden dan in de wintermaanden terwijl een locatie wordt beschouwd als een droge zomer (CS) wanneer er meer neerslag valt in de wintermaanden. Dit aanvullende criterium geldt voor locaties die ook voldoen aan zowel Ds als Dw.
 
Cfa = Warm zeeklimaat
Een vochtig subtropisch, pampa- of Chinees klimaat is een subtype van vochtig gematigd klimaat, in de Köppen-klimaatclassificatie is het Cfa.
Het is een subtropische klimaatzone die wordt gekenmerkt door hete, vochtige zomers en koele winters, met overvloedige regenval in kustgebieden, die afneemt door een winter die steeds minder vochtig wordt naarmate de afstand tot de kust toeneemt. Het wordt ook wel het warme gematigde klimaat van de oostelijke randen genoemd. De gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt boven de 22 °C.
 
Cfb = Gematigd zeeklimaat
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand bereikt geen 22 ° C, maar overschrijdt 10 ° C gedurende vier of meer maanden van het jaar. Het wordt oceanisch of Atlantisch klimaat genoemd, gematigd en vochtig, en komt voor in de westelijke regio's van de grote continentale massa's: ten noorden van West-Europa en ten zuiden van Chili. Het kan ook worden gevonden op eilanden zoals die van Nieuw-Zeeland en bijna het hele eiland Tasmanië, en in gebieden die grenzen aan Cfa-klimaten, aangezien de zomer geen 22 °C bereikt vanwege de invloed van de zee of hoogte, zoals kustgebieden. uit Zuid-Australië, uit Centraal-Argentinië, en tropische en subtropische of mediterrane sectoren, zoals sommige gebieden van Spanje, en in Zuid-Amerika, in gebieden van Brazilië, Zuidoost-Uruguay en sommige Andes-landen..
Cfc = Subpolair zeeklimaat of koel zeeklimaat
Maanden met gemiddelde temperaturen boven 10 °C zijn er minder dan vier per jaar. Het is het koude zeeklimaat, dicht bij de poolgebieden,
met een zeer lage jaarlijkse oscillatie, temperaturen altijd boven -3 °C en constante en over het algemeen overvloedige regenval. Hoogte kan ook van invloed zijn op een gebied dat het bepaalt, waardoor het dit type klimaat heeft en niet het gewone oceanische klimaat, Cfb, zoals in de hooglanden in Schotland, VK. Het komt voor in insulaire sectoren of in de buurt van de zee, zoals het uiterste zuiden van Argentinië en Chili,
sommige gebieden van het eiland Tasmanië in Australië, een deel van de Atlantische kust van Noorwegen en een deel van de Europese eilanden in
de Noord-Atlantische Oceaan, zoals de Faeröer en een deel van IJsland.
Cwa = Door de moesson beïnvloed vochtig subtropisch klimaat of warm Chinaklimaat
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt boven de 22 °C. Dit klimaat is een variatie op de Chinezen of Pampa's en komt voor in regio's die verder van de zee liggen en waar niet zoveel regen valt, dus het minder regenseizoen is hier vrij droog. Het is typerend voor het binnenland van China, Argentinië, Paraguay en Zuid-Afrika en verschilt van de Middellandse Zee doordat het regenseizoen het warmst is.
Het kan ook voorkomen als overgang naar een tropisch klimaat, met overvloedige regenval, als gevolg van de zomermoessons, maar een droge winter, en waar de temperatuur iets onder de 18 °C daalt.
Cwb = Subtropisch hooglandklimaat of door de moesson beïnvloed gematigd zeeklimaat
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand bereikt geen 22 ° C, maar overschrijdt 10 ° C gedurende vier of meer maanden van het jaar. Het komt meestal voor in hooggelegen steden in gematigde of tropische gebieden, zoals hoge gebieden van de Andes, de Hoorn van Afrika en Zuid-Afrika. Het is de variatie van klimaten van het Cwa-type.
Cwc = Koud subtropisch hooglandklimaat of door moesson beïnvloed subpolair zeeklimaat
Koudste maand gemiddeld boven 0° C en 1-3 maanden gemiddeld boven 10° C. Ten minste tien keer zoveel regen in de natste zomermaand als in de droogste wintermaand.
Csa = Warm mediterraan klimaat
Het typische mediterrane klimaat, Csa in de klimaatclassificatie van Köppen, is een soort mediterraan en subtropisch klimaat dat wordt gekenmerkt door hete, droge zomers met gemiddelde temperaturen boven 22 °C;1 en natte, regenachtige winters met zachte temperaturen. Hoe kouder de maand, hoe regenachtiger het is, en omgekeerd, hoe warmer de maand, hoe droger.
Csb = Gematigd mediterraan klimaat
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand is niet hoger dan 22 ° C, maar bereikt minstens 10 ° C gedurende vier of meer maanden van
het jaar. Dit klimaat is vaak een overgangsgebied tussen de Csa (mediterraan) en de Cfb (oceanisch). In tegenstelling tot de Middellandse Zee heeft het een mildere zomer, maar in tegenstelling tot de oceanische, is er een droog seizoen en dit in de warmste maanden. Het komt voor in gebieden zoals de centrale kust van Chili, het zuidwesten van Argentinië, de westkust van de Verenigde Staten, het zuidwesten van Canada, de centrale Portugese kust, en ook in andere gebieden die grenzen aan het mediterrane klimaat waar de hoogte koelere temperaturen veroorzaakt.
Csc = Koud-zomer mediterraan klimaat
Maanden met gemiddelde temperaturen boven 10 °C zijn er minder dan vier per jaar.
Het is een zeer ongebruikelijk klimaat, beïnvloed door de hoogte.
 
Groep D:  Continentale klimaten
 
 
Het wordt gekenmerkt door winters die ijskoud zijn, met de gemiddelde temperatuur van de warmste maand boven 10 °C en die van de koudste maand minder dan -3 °C,  hoewel momenteel wordt aangenomen dat de koudste maand is minder dan 0 ° C. 
De neerslag is hoger dan de verdamping.
 
De tweede letter verwijst naar de neerslagverdeling
 
 - f: constante regenval het hele jaar door, dus we kunnen niet spreken van een droge periode.
- w: de winter is droog, dus de minimale regenval is behoorlijk gemarkeerd en komt overeen de periode van lagere temperaturen.
       Het meest regenachtige seizoen hoeft geen zomer te zijn.
- s: de zomer is droog dus de minimale regenval is behoorlijk gemarkeerd en komt overeen de periode van hogere temperaturen.
       Het meest regenachtige seizoen hoeft geen winter te zijn. .
 
De derde letter is gebaseerd op de temperaturenverschillen
 
- a: De zomer is heet omdat het in de warmste maand gemiddeld 22 °C overschrijdt.
       De gemiddelde temperatuur is minstens vijf maanden per jaar hoger dan 10 ° C
- b: De zomer is gematigd omdat het in de warmste maand geen gemiddelde van 22 °C bereikt.
       De gemiddelde temperatuur is minstens vijf maanden per jaar hoger dan 10 ° C..
- c: De zomers zijn koel, minder dan vier maanden per jaar is de gemiddelde maandtemperatuur hoger dan 10 °C
      De gemiddelde temperatuur van de koudste maand ligt boven -38 ° C.
- d: Geeft de grootste jaarlijkse temperatuurschommelingen weer. Gemiddelde temperaturen van meer dan 10 °C komen voor in ten minste vier
       maanden van het jaar. De gemiddelde temperatuur van de koudste maand ligt onder de -38 ° C.
Dfa = Warm landklimaat met neerslag gedurende het hele jaar
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt boven de 22 °C. Het komt voor in de oostelijke regio's van de grote continentale massa's
en is een variatie op het Chinese of Cfa-klimaat, maar met koudere winters. Het is inheems in het zuiden van Rusland en Oekraïne, delen van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten.
Dfb = Gematigd landklimaat met neerslag gedurende het hele jaar
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand bereikt geen 22 ° C, maar overschrijdt 10 ° C gedurende vier of meer maanden van het jaar. Het komt voor, hetzij in de westelijke gebieden van de continenten als oceaanklimaatvariatie of Cfb, door koudere winters dan deze te presenteren (zoals in delen van Noord-Europa); of in de oostelijke gebieden van de continenten als een variatie op het Dfa-klimaat, door lagere temperaturen in de zomer.
Dfc = Koel landklimaat met neerslag gedurende het hele jaar (subarctisch klimaat)
Er zijn minder dan vier maanden met gemiddelde temperaturen boven 10 ° C per jaar en de koudste maand ligt boven -38 ° C.
Het is een klimaat dat typisch is voor Alaska, Siberië, Noord-Scandinavië en hooggelegen gebieden, zoals de Himalaya-regio's.
Dfd: Koud landklimaat met neerslag gedurende het hele jaar (subarctisch klimaat)
Er zijn minder dan vier maanden met gemiddelde temperaturen van meer dan 10 °C per jaar en de koudste maand is lager dan -38 °C.
Het is typisch voor Noord-Alaska en Noord-Siberië.
Dwa = Warm landklimaat met droge winters
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt boven de 22 °C.
Dwb = Gematigd landklimaat met droge winters
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand bereikt geen 22 ° C, maar overschrijdt 10 ° C gedurende vier of meer maanden van het jaar.
Dwc = door de moesson beïnvloed subarctisch klimaat 
Maanden met gemiddelde temperaturen boven 10 °C zijn minder dan vier per jaar en de koudste maand ligt hoger dan -38 °C
Dwd = koud landklimaat, met droge winters (subarctisch klimaat)
Er zijn minder dan vier maanden met gemiddelde temperaturen boven 10 ° C per jaar en de koudste maand ligt boven -38 ° C.
Dsa = warm landklimaat, met droge zomers (Mediterraan landklimaat)
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt boven de 22 °C. 
Dsb = gematigd landklimaat, met droge zomers (Mediterraan landklimaat) 
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand bereikt geen 22 ° C, maar overschrijdt 10 ° C gedurende vier of meer maanden van het jaar.
Dsc = koel landklimaat, met droge zomers
Maanden met gemiddelde temperaturen boven 10 °C zijn minder dan vier per jaar en de koudste maand is hoger dan -38 °C 
Dsd = koud landklimaat, met droge zomers 
Er zijn minder dan vier maanden met gemiddelde temperaturen van meer dan 10 °C per jaar en de koudste maand is lager dan -38 °C.
 
Groep E:  Pool- en alpiene klimaten  
 
 
Het poolklimaat of arctische klimaat is het E-klimaat in de klimaatclassificatie van Köppen 
 
's Winters komt de zon helemaal niet op rond de polen. Dit heet de poolnacht. Het is er dag en nacht donker en op sommige plaatsen kan het
wel 60 graden vriezen. In de zomer blijft de zon daarentegen dag en nacht schijnen. Dit heet de pooldag. In het binnenland van Groenland en op Antarctica heerst een poolklimaat, op de eilanden van Canada en noord Rusland heerst een toendraklimaat. Het poolklimaat komt buiten de poolgebieden ook voor boven de boomgrens in de hooggebergten. 
 
De gemiddelde temperatuur in de warmste maand ligt tussen de 0 en de 10 graden Celsius. Er ligt eeuwige sneeuw. In gebieden met een poolklimaat groeien voornamelijk mossen. Omdat het 's winters zo extreem koud is en de zomer maar kort duurt ontdooit in de zomer alleen de bovenste laag van de aarde, de rest blijft bevroren. Hierdoor kunnen er vrijwel geen planten groeien  
 
ET = toendraklimaat
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt tussen 0 °C en 10 °C. De vegetatie zijn alleen grassen in de maanden waar de temperatuur hoger is dan 0 °C.. Het komt voor aan de kusten van de Noordelijke IJszee en het Antarctisch Schiereiland en op subpolaire eilanden op hoge breedtegraden.
Lees meer over het toendraklimaat
 
ETH of H - Alpenklimaat
De gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt tussen 0 °C en 10 °C. De vegetatie is alleen grassen in deze maanden waar de temperatuur hoger is dan 0 °C. Dit klimaat komt overeen met het ET klimaat maar dan alleen in het hooggebergte.
Lees meer over het Alpenklimaat
 
EF = IJskapklimaat  
Eeuwige winter, met alle 12 maanden van het jaar met gemiddelde temperaturen onder 0 °C. Er is geen enkele vorm van vegetatie. Het komt voor in het binnenland van Groenland en in bijna heel Antarctica.
Lees meer over het ijskapklimaat
 
Weer in de bergen
Het zijn klimaten die worden bepaald door hoogte, groter dan 1000 m boven zeeniveau en dat kan worden ingekaderd in de vorige classificaties, omdat ze veronderstellen dat het lokale klimaat door de hoogte wordt gewijzigd, reden waarom het zelf geen klimaattype is.
 

 

     Bronnen: Wikipedia-nl, Wikipedia-en, Wikipedia-es  
 
    Categorieën: Klimaatclassificatie  I  Cursus Meteorologie  I   Wolkenatlas  I  Weer A tot Z
 
 
Web Design