| |
|
Hoofdstuk 14 -
Ensemble
verwachting |
| |
Sinds 1979 worden er bij het Europese weercentrum ECMWF
in Reading, ten westen van Londen, dagelijks
weersverwachtingen opgesteld.
iedere modelberekening nog een groot aantal keren wordt
herhaald. Op die manier ontstaat een verzameling van
verschillende weersverwachtingen. Meteorologen spreken
hierbij van een ensemble. Het systeem dat deze
verzameling van verwachtingen genereert, staat bekend
als het Ensemble Prediction System, afgekort EPS |
| |
| 14.1 Waarom EPS? |
Als
je datgene waar je mee bezig bent kunt meten en in
getallen kunt uitdrukken, dan weet je iets over dat
onderwerp; zo niet, dan is je kennis
mager en onbevredigend', heeft de Schotse ingenieur,
wis- en natuurkundige Lord Kelvin eens gezegd. In die
zin zijn meteorologen met hun atmosfeermodellen op de
goede weg. Toch ontbrak er volgens het ECMWF destijds
nog iets: een eindresultaat zonder foutendiscussie was
onvoldoende om de vergelijking met werkwijzen elders in
de exacte wetenschappen te kunnen doorstaan. Het EPS
maakt zo'n foutendiscussie bij weersverwachtingen met
behulp van de computer mogelijk en helpt de
rekenresultaten van atmosfeermodellen te voorzien van
een foutenmarge. |
| |
De
fouten in de uitkomsten van de berekeningen van het
ECMWF-model worden deels veroorzaakt door 'fouten' in de
uitgangssituatie voor de berekeningen. Deze zijn een
direct gevolg van de beperkte meetnauwkeurigheid van
weerwaarnemingen. En dan hebben we het nog alleen over
de gebieden waar waarnemingen beschikbaar zijn; elders
blijft het min of meer gissen. |
| |
De
voorlopige weerkaart die de atmosfeermodellen als
startpunt gebruiken, staat dan ook bekend als het
gisveld. Het gisveld is de meest
recente voorspelling van het model, meestal berekend op
basis van de weersituatie van 6 of 12 uur eerder. De
beschikbare waarnemingen
worden gebruikt om dat gisveld verder in overeenstemming
te brengen met de werkelijkheid. Pas daarna gaan de
berekeningen tot tien dagen
vooruit van start. |
| |
Kleine verschillen in de analyse, zoals de
uitgangssituatie voor de modelberekeningen meestal wordt
genoemd, kunnen grote gevolgen hebben
voor de verwachtingen. Vooral in de periode van 5 tot 10
dagen vooruit kunnen kleine verschillen in de
beginsituatie leiden tot grote verschillen
in de uiteindelijke verwachting |
| |
De
51 extra verwachtingen die het EPS oplevert, werken elk
met een iets andere analyse. Op deze manier worden de
verschillende foutenbronnen
in de analyse nagebootst, zodat de effecten ervan op de
voorspellingen van het atmosfeermodel kunnen worden
onderzocht. Het EPS is verder
nuttig bij het lokaliseren van situaties of gebieden
waar de voorspelbaarheid laag is. We zullen daarvan
verderop, in figuur 4, een voorbeeld zien
wanneer de presentatie van de resultaten van het EPS aan
bod komt. |
| |
Bovendien kunnen meteorologen op basis van het EPS
kansverwachtingen uitgeven. Deze kansverwachtingen
kunnen gebruikers in de
gelegenheid stellen om voorzorgsmaatregelen te nemen bij
bijvoorbeeld gladheid, een zeer zware storm,
verraderlijke windstoten, overvloedige
regen of nachtvorst. Dit kan aanzienlijke
kostenbesparingen opleveren, vooral wanneer de kosten
van voorzorgsmaatregelen veel kleiner zijn
dan de te verwachten schade |
| |
 |
| |
EPS-verwachtingen van de kerststorm
Lothar uit 1999. Het betreft
verwachtingen voor 42 uur vooruit. De
verschillende berekeningen
lopen opvallend sterk uiteen.
Verscheidene ensembleleden geven
aanwijzingen voor een sterke activering
van een weersysteem.
De standaardverwachting, linksboven,
onderschatte de ernst van de
uiteindelijk opgetreden situatie. Deze
werkelijke situatie is weergegeven
op het kaartje direct daarnaast. |
|
| |
|
14.2 Werkwijze |
| Het opstellen van 51 extra verwachtingen vergt
veel computertijd, maar die tijd is slechts
beperkt beschikbaar. Om binnen de beschikbare
mogelijkheden te blijven, is daarom bij de extra
berekeningen gekozen voor een variant van het
ECMWF-model waarbij de roosterpuntafstand is
verdubbeld. Wel controleert men de gevolgen van
deze ingreep. Een van de ensembleleden, de
zogeheten controlerun, gebruikt precies dezelfde
analyse als de standaardverwachting. De overige
50 berekeningen werken met een iets aangepaste
analyse |
| |
De aanpassingen, of zoals meteorologen zeggen de
verstoringen, van de oorspronkelijke analyse
worden zorgvuldig gekozen. Zou men dat niet
doen, dan zou een ensemble van 50 leden lang
niet groot genoeg zijn om alle mogelijke
varianten in de weersontwikkeling te kunnen
voortbrengen.Door echter te werken met
zorgvuldig gekozen verstoringen, namelijk
verstoringen die de grootste effecten laten zien
in de
berekende verwachtingen, kan men met een beperkt
aantal ensembleleden volstaan. De weersituatie
die uiteindelijk optreedt, valt daardoor in
bijna alle gevallen binnen de mogelijke
oplossingen die het ensemble voortbrengt. |
| |
 |
| |
Figuur 2 Clusterpresentatie van EPS-voorspellingen. Linksboven de luchtdruk aan de grond en
de temperatuur op ongeveer 1500 m hoogte volgens de standaardverwachting. De overige kaartjes vatten de voorspellingen van de 50 ensembleleden en de controlerun samen. De verwachtingen zijn opgedeeld in 4 verschillende clusters met respectievelijk 17, 14, 11 en 9 (samen 51) leden. |
|
|
|
 |
| |
Tubepresentatie van EPS-voorspellingen.
De bovenste rij toont het ensemble
gemiddeldede rijen daaronder geven
voorbeelden van verwachtingen die het
sterkst van het ensemble gemiddelde
afwijken. |
|
|
| |
|
14.3 Weerkaartjes |
Het
EPS levert veel informatie, te veel om zonder verdere
ordening gemakkelijk te kunnen overzien. Het bestuderen
en onderling vergelijken van
52 verschillende weerkaarten, bijvoorbeeld met behulp
van de zogenoemde postzegelkaartjes van figuur 1, is dan
ook moeilijk. Toch is al snel te
zien dat sommige oplossingen kleurrijker zijn dan
andere. Die kleurenrijkdom duidt op een sterkere
activering van het weersysteem dan in de
meer kleurloze situaties. |
| |
Het
voorbeeld toont het geval van een van de kerststormen
van 1999, door de Duitse weerdienst Lothar gedoopt. Het
kleurarme kaartje
linksboven geeft de standaardverwachting weer. Direct
daarnaast staat de werkelijk opgetreden situatie.
Daaruit blijkt dat het er in werkelijkheid
wat ruiger aan toe is gegaan. Het EPS had echter al
rekening gehouden met ruiger weer. Verscheidene
oplossingen evenaren of overtreffen de uiteindelijk
opgetreden situatie wat kleurenrijkdom en activiteit
betreft. De controlerun is niet afgebeeld. Om het aantal
kaartjes terug te brengen
tot hooguit zes, worden twee verschillende technieken
toegepast. |
| |
De
eerste methode brengt oplossingen die veel op elkaar
lijken samen in maximaal vier verschillende groepen, of
clusters. De kaartjes die zo ontstaan, zoals weergegeven
in figuur 2, geven een globaal beeld van mogelijke
weersontwikkelingen. De scherpe kantjes zijn daarbij
enigszins afgeslepen, omdat een gemiddelde van
verscheidene ensembleleden wordt gepresenteerd. Wie ook
geïnteresseerd is in extremere gevallen,
moet terugvallen op de postzegelkaartjes of op de
zogenoemde tubes. Bij deze tweede techniek presenteert
men een ensemblegemiddelde, aangevuld met een aantal
afzonderlijke weerkaarten die het sterkst van dat
gemiddelde afwijken, zoals weergegeven in figuur 3. |
| |
|
14.4 Spaghettikaartjes en pluimen |
Soms
is het handig om alle berekende weersituaties samengevat
weer te geven in één enkel kaartje of diagram. Om een al
te grote warboel te voorkomen, worden bij weerkaarten
één of twee lijnen gekozen die karakteristiek zijn voor
het stromingspatroon. Vervolgens worden die lijnen
voor alle 52 beschikbare verwachtingen ingetekend. |
| |
Een
voorbeeld van het resultaat dat zo wordt verkregen,
geeft figuur 4. Direct is duidelijk waarom deze
presentatievorm wordt aangeduid als een
spaghettiplaatje.In beide gevallen gaat het om
verwachtingen voor vijf dagen vooruit. Op de kaartjes
bevindt zich rechtsonder het Middellandse Zeegebied. De
voorspelbaarheid voor die regio is in de situatie links
aanzienlijk groter dan in het geval dat rechts is
afgebeeld. Op deze manier
kan het EPS dus helpen om situaties en gebieden in kaart
te brengen waar de voorspelbaarheid relatief laag is. |
| |
 |
| |
Figuur 4. Spaghettiplaatjes van
EPS-voorspellingen. De lijnen zijn
representatief voor de luchtstroming op ruim 5
km hoogte. In beide gevallen
gaat het om voorspellingen voor 5 dagen vooruit,
maar in de figuur links liggen de lijnen veelal
dichter bij elkaar dan in de figuur rechts.
Vooral boven het Middellandse-Zeegebied is de
voorspelbaarheid in de situatie rechts relatief
lag. |
|
 |
|
Figuur-5 |
|
|
|
| |
Fig-6. Twee
temperatuurpluimen
(32
ensembleelden)
voor Londen
de
onder
getoonde
situatie
is
aanzienlijk
onzekerder
dan
die erboven. |
|
| |
Figuur 5: De EPS-pluim voor De Bilt. Er worden
drie grootheden gepresenteerd:
neerslaghoeveelheid per tijdvak van 12 uur
(boven),
de windsnelheid (midden) en de temperatuur
(onder). Steeds geeft
de dikke rode lijn de 'standaardverwachting'. De
blauwe streepjeslijn toont de resultaten van de
controleverwachting. De 50 groene lijnen geven
de verwachtingen van de 50 ensembleleden. |
|
| |
|
14.5 Kansverwachtingen |
Een
van de toepassingen van het EPS is het maken van
kansverwachtingen. Als bijvoorbeeld van een ensemble met
50 leden waarbij de standaardverwachting en de
controlerun even niet meetellen — er 10 zijn die ten
minste 1 mm neerslag per etmaal voorspellen, dan
bedraagt
de kans daarop 20%. |
| |
In
het kanskaartje van figuur 6 zijn dergelijke kansen
weergegeven. De lijnen geven kanswaarden van 2, 20, 40,
60 en 80% weer. Dit komt
overeen met respectievelijk 1, 10, 20, 30 en 40 leden
van het ensemble. Voor De Bilt, of een andere plaats in
Nederland, kan de neerslagkans
ook worden weergegeven in een stapeldiagram. Figuur 7
geeft hiervan een voorbeeld. De figuur laat zien dat het
volgens het EPS in dit geval op woensdag vrijwel zeker
droog blijft, terwijl in het weekeinde grote
neerslaghoeveelheden mogelijk zijn. |
| |
|
Vergelijkbare kanskaartjes en stapeldiagrammen kunnen
worden opgesteld voor gegevens die rechtstreeks aan het
EPS zijn te ontlenen, zoals temperatuur, bedekkingsgraad
en windsnelheid. Ook kunnen dergelijke verwachtingen
worden gemaakt voor afgeleide grootheden, zoals de
wateropzet aan de kust tijdens stormsituaties, de
ijsdikte in Friesland of de kans op zware windstoten. |
| |
|
|
|
| |
Figuur 6: Kanskaartje, gebaseerd op EPS-verwachtingen.
In dit geval gaat het om de
kans dat er in een etmaal 1mm regen valt of meer.De lijnen komen overeen met kans van
2, 20, 40, 60 en 80%. |
| |
Figuur 7: Stapeldiagrammen met kans op neerslag in De Bilt. De figuur laat zien dat
het in dit geval volgens het EPS woensdag vrijwel zeker droog blijft, terwijl in het weekeinde grote neerslaghoeveelheden mogelijk zijn. |
|
 |
| Figuur 8: |
|
|
|
| Figuur 9: |
|
| |
Fig-8: toont een
alarmeringskaart, waarbij de
door de ensembleleden
berekende weersituaties
worden vergeleken met de
klimatologie ter
plaatse.
Als bijvoorbeeld de wind
extreem hoog is ten opzichte
van wat de klimatologie laat
zien, wordt dat in de kaart
aangegeven.
De drempelwaarde hangt dus
af van de locatie en zal in
het geval van wind boven zee
hoger liggen dan boven land. |
| |
Fig-9: de banen geplot die
de ensembleleden voorspellen voor de
verplaatsing van een tropische
cycloon. De 50 banen zijn aangegeven
met
dunne blauwe lijnen. De
ingekleurde gebieden geven de kans
dat de cycloon tussen nu en 5 dagen
vooruit over raast of op geringe
afstand
langstrekt. De werkelijke
posities van de tropische cycloon
zijn achteraf in de figuur aangeduid
met dikke zwarte stippen. |
| |
|
14.5
Verdere
toepassingsmogelijkheden |
De laatste
tijd staan
extreme
weersituaties,
met stormen
van
orkaankracht
of
overvloedige
neerslag,
sterk in de
belangstelling.
Juist bij
dit soort
situaties,
waarbij
weersystemen
soms
plotseling
sterk
activeren,
kunnen
kleine
verschillen
in de
uitgangssituatie
al het
onderscheid
maken tussen
wel of geen
storm.
|
Voorbeelden
daarvan zijn
de
overvloedige
neerslag in
Midden-Europa
in augustus
2002, het
aan land
gaan van
tropische
cyclonen en
stormen
zoals Lothar
uit figuur
1. Op
verschillende
manieren
probeert men
meteorologen
te helpen om
de signalen
te herkennen
die het EPS
ten aanzien
van dit
soort
verschijnselen
kan
aangeven. |
|
|
|
14.6
Toekomstige
ontwikkelingen. |
Het
bovenstaande
laat de vele
toepassingsmogelijkheden
van het EPS
zien die in
de loop der
jaren zijn
ontwikkeld
en
uitgetest.
Op drie
manieren
wordt
geprobeerd
het systeem
verder te
verbeteren.
Ten eerste
wordt
aanvullend
onderzoek
gedaan naar
de
technieken
waarmee
verstoringen
in de
analyse
worden
aangebracht.
Daarnaast
wil men met
meer
gedetailleerde
versies van
het
ECMWF-model
rekenen. Ook
wordt
gewerkt aan
een
vergroting
van het
aantal
ensembleleden. |
|
|
Een
praktisch
uitvoerbare
manier om
dit laatste
te
realiseren,
is om de
volledige
verwachtingsprocedure
tweemaal per
etmaal te
doorlopen:
eenmaal op
basis van
een analyse
van
middernacht
en eenmaal
op basis van
de analyse
van 12 UT.
Door de
verwachtingen
van beide
berekeningen
samen te
voegen,
ontstaat een
ensemble van
100 leden.
Dit blijkt
beter te
presteren
dan de
eerdere
opzet met
eenmaal per
etmaal een
ensemble van
50 leden.
Daarom
bestaan er
plannen om
de
berekeningen
op
routinebasis
tweemaal
daags uit te
voeren. Voor
nog
gedetailleerdere
berekeningen
ontbreken op
dat moment
echter de
mogelijkheden.
Wanneer een
dergelijke
aanpak
aantoonbaar
leidt tot
een
betere en
tijdigere
signalering
van
maatschappelijk
ontwrichtend
weer, of op
andere wijze
tot
kostenbesparingen
leidt, kan
daarmee op
termijn
wellicht
verder
worden
gegaan. |
|
|
|
Bron:
Weerkunde -
Meteorologie voor
iedereen (Kees
Floor) |
|
|
|
|