Richtlijnen voor het plaatsen van een weerstation
 

Voor het plaatsen van een weerstation heeft de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) richtlijnen opgesteld om de invloed van de omgeving
op de metingen zoveel mogelijk te beperken. Deze richtlijnen worden onder andere toegepast bij meetlocaties van het KNMI en op vliegvelden.
 
Een ideale meetopstelling is echter voor de meeste weerstations niet haalbaar. De metingen kunnen worden beïnvloed door de directe omgeving, bijvoorbeeld door gebouwen, bomen, schaduw, verhardingen en warmtebronnen zoals muren en daken. Daarom is het belangrijk om bij de
plaatsing van een weerstation zoveel mogelijk rekening te houden met de omstandigheden rondom de meetlocatie.
 
In deze richtlijn wordt ingegaan op de verschillende liggingen van weerstations, de meteorologische elementen die worden gemeten, de plaatsing
van de meetinstrumenten, de kenmerken van verschillende stedelijke gebieden, het tijdstip van waarnemen en de classificatie van weerstations. Daarnaast worden aan de hand van voorbeelden verschillende praktijksituaties toegelicht.
 
In de praktijk is het niet altijd eenvoudig om een weerstation op een ideale locatie te plaatsen. Deze richtlijn helpt daarom om, rekening houdend
met de lokale omstandigheden, een zo geschikt mogelijke plaats voor een weerstation te bepalen.
 
Het volgen van deze richtlijnen vormt geen garantie dat de waarnemingen van het station volledig voldoen aan alle eisen die de WMO stelt aan meetlocaties van nationale meteorologische instituten. Wel kan een zorgvuldige plaatsing de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verzamelde waarnemingen aanzienlijk verbeteren.
 
Meten en waarnemen
 
Temperatuur
Een goede temperatuurmeting vereist dat de thermometer op de juiste manier wordt opgesteld. Een veelvoorkomende fout is dat de thermometer onvoldoende wordt beschermd tegen directe zonnestraling en neerslag, terwijl er tegelijkertijd te veel beschutting tegen de wind aanwezig is. Hierdoor kan de gemeten temperatuur afwijken van de werkelijke luchttemperatuur.
 
De thermometer wordt daarom bij voorkeur geplaatst op een open en goed geventileerde plaats, op voldoende afstand van gebouwen, muren, bestrating, wateroppervlakken en andere objecten die de meting kunnen beïnvloeden. Ter bescherming tegen dWanneer een dergelijke opstelling niet mogelijk is, moet er in ieder geval voor worden gezorgd dat de thermometer niet aan direct zonlicht wordt blootgesteld en zich niet in de directe omgeving van mDe thermometer moet bovendien vrij kunnen worden omstroomd door de lucht. Alleen dan geeft de meting een zo betrouwbaar mogelijk beeld
van de werkelijke luchttemperatuur.
 
Wind
Een goede locatie voor een anemometer (windmeter) is niet altijd gemakkelijk te vinden. Gebouwen, bomen, schuttingen en andere obstakels kunnen de windrichting en windsnelheid sterk beïnvloeden. Ze veroorzaken onder andere afremming, turbulentie en windvlagen, waardoor de
meting geen goed beeld meer geeft van de vrije wind.
 
Plaats de windmeter daarom bij voorkeur op een open en vrij gelegen plaats, waar zich in de directe omgeving zo weinig mogelijk obstakels bevinden. Wanneer een dergelijke locatie op de grond niet mogelijk is, kan de windmeter bijvoorbeeld op een dak worden geplaatst.
Zorg er daarbij voor dat de meter zo vrij mogelijk staat ten opzichte van het gebouw en andere obstakels
 
Bij iedere windwaarneming is het belangrijk om de hoogte van de windmeter boven de grond vast te leggen. Vermeld deze hoogte wanneer de waarnemingsgegevens worden doorgegeven. Ook andere informatie die van invloed kan zijn op de meting is van belang, zoals de hoogte van het gebouw en de aanwezigheid en afstand van bomen, gebouwen of andere obstakels in de omgeving.
 
De officiële standaardhoogte voor windmetingen bedraagt 10 meter boven het maaiveld. Waarnemingen die op een andere hoogte zijn uitgevoerd, mogen echter niet worden omgerekend of gecorrigeerd naar 10 meter. Vermeld altijd de werkelijke meethoogte, zodat de waarneming correct
kan worden geïnterpreteerd.
 
Neerslag
Ook bij het meten van neerslag is de plaats van het meetinstrument van groot belang. Bomen, gebouwen, schuttingen en andere obstakels
kunnen de luchtstroming rond een regenmeter verstoren. Hierdoor kan een deel van de neerslag over de regenmeter heen worden geblazen of
juist plaatselijk worden beïnvloed, waardoor de gemeten hoeveelheid niet representatief is.
 
Plaats de regenmeter daarom bij voorkeur op een open en vrij gelegen plaats. Vooral in de overheersende windrichting moeten grote obstakels zoveel mogelijk worden vermeden.
 
Als richtlijn geldt dat een obstakel bij voorkeur niet hoger mag zijn dan de helft van de afstand tussen het obstakel en de regenmeter.
Een obstakel van bijvoorbeeld 5 meter hoog moet volgens deze regel dus ten minste 10 meter van de regenmeter verwijderd zijn.
 
De regenmeter moet bovendien horizontaal en stevig worden opgesteld en de opvangopening moet volledig vrij zijn. Plaats de meter niet direct
naast muren, bomen of andere oppervlakken waarvan water in de regenmeter kan druppelen of spatten.
 
Een goede en vrije opstelling is belangrijk om een zo betrouwbaar mogelijke meting van de werkelijke hoeveelheid gevallen neerslag te verkrijgen.
 
Luchtdruk
Bij het meten van de luchtdruk doen zich doorgaans weinig problemen voor. De luchtdruk wordt gemeten met een elektronische druksensor.
Bij veel automatische weerstations, zoals de Davis Vantage Pro, bevindt deze sensor zich in de binnenunit of console.
 
Voor de meteorologische interpretatie is vooral de hoogte van het meetstation van belang. De luchtdruk neemt af met toenemende hoogte
boven zeeniveau. Daarom moet bij het vergelijken van metingen altijd bekend zijn op welke hoogte de luchtdruk is gemeten.
 
Luchtvochtigheid
Het meten van de relatieve luchtvochtigheid is minder eenvoudig dan het op het eerste gezicht lijkt. Veel elektronische vochtigheidssensoren
hebben een meetafwijking van enkele procenten. Een afwijking van ongeveer 5% is bij bepaalde instrumenten niet ongebruikelijk. Bovendien kan
de nauwkeurigheid van de sensor na verloop van tijd afnemen, waardoor controle en eventueel kalibratie noodzakelijk zijn
 
Bij veel automatische weerstations, zoals de Davis Vantage Pro, kan de gebruiker de vochtigheidssensor niet zelfstandig ijken of kalibreren. De nauwkeurigheid kan echter wel globaal worden gecontroleerd door de gemeten waarden te vergelijken met de te verwachten omstandigheden.
 
Bij mist en temperaturen boven het vriespunt ligt de relatieve luchtvochtigheid doorgaans dicht bij 100%. De vochtigheidsmeter zou onder
dergelijke omstandigheden daarom een waarde van ongeveer 95 tot 100% moeten aangeven. Een duidelijk lagere waarde kan wijzen op een afwijking van de sensor.
 
Houd er rekening mee dat een dergelijke controle geen exacte kalibratie vervangt. Voor een betrouwbare meting is het belangrijk dat de sensor
goed wordt onderhouden en wordt beschermd tegen directe zonnestraling, neerslag en andere invloeden die de meting kunnen verstoren.
 
Omgevingsomstandigheden
Wanneer u gedurende langere tijd gebruikmaakt van dezelfde locatie voor uw weerstation, is het belangrijk om rekening te houden met veranderingen in de directe omgeving. Bomen, struiken en andere vegetatie groeien, waardoor de omstandigheden waaronder de metingen
worden uitgevoerd geleidelijk kunnen veranderen.
 
Hogere bomen en dichter wordende begroeiing kunnen bijvoorbeeld de windstroming beïnvloeden, meer schaduw veroorzaken of de vrije
blootstelling van de meetinstrumenten beperken. Ook nieuwbouw, geplaatste schuttingen en andere veranderingen in de omgeving kunnen van invloed zijn op de meetresultaten.
 
Het is daarom raadzaam om de opstelling van het weerstation regelmatig te controleren en na te gaan of de meetinstrumenten nog steeds voldoende vrij zijn opgesteld.
 
Een vaste meetlocatie betekent niet automatisch dat de meetomstandigheden ook gelijk blijven. Door veranderingen in de omgeving kunnen meetafwijkingen ontstaan die niet worden veroorzaakt door het instrument zelf, maar door de gewijzigde opstelling.
Het tijdstip van de meteorologische waarnemingen
Om meteorologische waarnemingen goed met elkaar te kunnen vergelijken, is het belangrijk dat deze op vaste tijdstippen worden uitgevoerd.
Het weer verandert voortdurend. Een temperatuurmeting om 12.00 uur kan bijvoorbeeld anders zijn dan een meting om 13.00 uur.
Door waarnemingen wereldwijd op vaste tijdstippen uit te voeren, kunnen meteorologen de gegevens van verschillende weerstations met
elkaar vergelijken. 
 
Greenwich en de wereldtijd 
Een belangrijke plaats in de geschiedenis van de tijdmeting is het Royal Observatory in Greenwich, in Londen. Hier bevindt zich de internationaal bekende nulmeridiaan. Deze meridiaan heeft een lengtegraad van 0° en vormt het uitgangspunt voor de geografische lengte en de historische wereldtijd. 
 
Greenwich Observatorium  
 
klok bij de ingang 
 
meridian line
1: Het Royal Observatory in Greenwich, waar de historische nulmeridiaan en de ontwikkeling van de Greenwich-tijd een belangrijke rol spelen.
2: De beroemde klok van het Royal Observatory in Greenwich, verbonden met de geschiedenis van Greenwich Mean Time.
3: De nulmeridiaan (0° lengtegraad) in Greenwich. Vanaf deze meridiaan wordt de geografische lengte oost- en westwaarts bepaald.
 
GMT en UTC
Vanuit Greenwich werd de Greenwich Mean Time (GMT) lange tijd gebruikt als internationale referentietijd. Voor de moderne internationale
tijdmeting wordt tegenwoordig UTC (Coordinated Universal Time) gebruikt.
 
UTC is de internationale standaard waarmee tijdstippen over de hele wereld worden vastgelegd. In de meteorologie is UTC bijzonder belangrijk, omdat weerwaarnemingen uit verschillende landen hierdoor precies op hetzelfde moment kunnen worden vergeleken.
UTC verandert niet met de zomer- of wintertijd. In Nederland is het verschil met UTC:
 
wintertijd (MET/CET): UTC + 1 uur
zomertijd (MEZT/CEST): UTC + 2 uur
 
Een meteorologische waarneming om 12:00 UTC wordt in Nederland dus uitgevoerd om:
- 13:00 uur tijdens de wintertijd
- 14:00 uur tijdens de zomertijd
 
Officiële meteorologische waarnemingstijden
Veel meteorologische waarnemingen worden uitgevoerd op vaste, internationaal afgesproken tijdstippen. De belangrijkste synoptische waarnemingstijden zijn:
 
00:00 – 03:00 – 06:00 – 09:00 – 12:00 – 15:00 – 18:00 – 21:00 UTC
 
De waarnemingen om 00:00, 06:00, 12:00 en 18:00 UTC vormen belangrijke hoofdwaarnemingstijden. De verzamelde gegevens worden
onder andere gebruikt voor het maken van weerkaarten, het analyseren van weersystemen en het opstellen van weersverwachtingen.
Een weerstation in Nederland registreert om 12:00 UTC een temperatuur van 18,4 °C, een luchtdruk van 1018 hPa en wind uit het westen.
Een weerstation in Duitsland en een station in Frankrijk doen op hetzelfde moment hun waarnemingen. Omdat alle gegevens aan hetzelfde
UTC-tijdstip zijn gekoppeld, kunnen de meteorologen deze waarnemingen rechtstreeks met elkaar
Plaatsing van een weerstation en afstand tot opstakels 
  Voor betrouwbare weerwaarnemingen is een goede plaatsing van  
de instrumenten essentieel.  
Gebouwen, bomen en andere obstakels kunnen de metingen van 
temperatuur, wind, neerslag en luchtvochtigheid beïnvloeden.  
Houd daarom de aanbevolen afstanden aan. 
Belangrijkste richtlijnen tabel rechts 
 
 
  Plaats de instrumenten zo veel mogelijk op een open locatie. 
Houd voldoende afstand tot gebouwen, bomen en andere obstakels. 
Hoe hoger het obstakel, hoe groter de afstand 
Vermijd plaatsing boven daken, dichtbij muren of in de luwte. 
Gebruik bij voorkeur een grasveld of natuurlijke ondergrond. 
   Voorbeeld van een ideale opstelling van meteorologische meetinstrumenten, waarbij de invloed van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt. 
 
Temperatuur 
 
Luchtvochtigheid
 
Wind 
 
Neerslag 
 
Classificatie van weerstations 
 
De locatie en de opstelling van een weerstation zijn van grote invloed op de kwaliteit en representativiteit van de meteorologische waarnemingen.
In de praktijk is het echter niet altijd mogelijk om een ideale meetlocatie te vinden. Vooral in een dichtbevolkt land als Nederland bevinden
gebouwen, bomen, wegen en andere obstakels zich vaak op relatief korte afstand van een weerstation. 
 
Om de omstandigheden waaronder meteorologische waarnemingen worden uitgevoerd beter te kunnen beoordelen, worden weerstations ingedeeld volgens een classificatiesysteem. Hierbij wordt gekeken naar de omgeving waarin het station zich bevindt, de mate van beschutting en de kwaliteit van de meetopstelling. Een dergelijke classificatie maakt het mogelijk om waarnemingen in het juiste perspectief te plaatsen en rekening te houden met mogelijke invloeden van de omgeving.
 
Het belang van de omgeving 
Iedere meetlocatie heeft zijn eigen kenmerken. Denk hierbij aan de grondsoort, de begroeiing, de bebouwing en de mate waarin de locatie aan
wind en zonnestraling is blootgesteld. 
 
Ook een weerstation in een stedelijke omgeving kan waardevolle meteorologische gegevens leveren. Dergelijke waarnemingen zijn bijvoorbeeld belangrijk voor het onderzoek naar het stadsklimaat en het stedelijk hitte-eilandeffect. 
 
Het is daarom niet zo dat een weerstation in een bebouwde omgeving automatisch ongeschikt is. Het is vooral belangrijk dat de omstandigheden waaronder de metingen plaatsvinden bekend zijn en bij de interpretatie van de gegevens worden betrokken. 
 
 
Indeling van de classificatie 
Bij de classificatie worden twee belangrijke aspecten onderscheiden. 
 
1. De omgeving van het weerstation 
Allereerst wordt gekeken naar het karakter van de omgeving binnen een straal van ongeveer 1000 meter. Hierbij wordt onderscheid gemaakt
tussen landelijke, landelijke-bebouwde en meer verstedelijkte gebieden. Deze omgevingsindeling wordt aangeduid met de Urban Climate Zone-index (UCZ). Hiermee wordt de invloed van de bebouwde omgeving op het lokale klimaat beschreven.
 
Deze omgevingsindeling wordt aangeduid met de Urban Climate Zone-index (UCZ). Hiermee wordt de invloed van de bebouwde omgeving op het lokale klimaat beschreven. 
 
2. De beschutting en kwaliteit van de meetopstelling 
Vervolgens wordt de directe omgeving van het weerstation beoordeeld, doorgaans binnen een straal van ongeveer 100 meter. 
Hierbij wordt onder andere gekeken naar: 
 
-  De afstand en hoogte van gebouwen, bomen en andere obstakels
-  De mate waarin de meetinstrumenten vrij zijn opgesteld.
-  De hoogte waarop temperatuur en neerslag worden gemeten.
- De kwaliteit en geschiktheid van de gebruikte meetinstrumenten. 
 
Bij de beoordeling wordt uitgegaan van een thermometeropstelling op ongeveer 1,5 meter boven het maaiveld en een regenmeter waarvan de opvangrand zich bij voorkeur zo laag mogelijk bevindt, met een maximale hoogte van 2 meter. 
 
Ligging van het waarneemstation (S)  
 
Weerstation Stavoren
Klasse-5 - KNMI weerstation Stavoren (Friesland) 
 
Weerstation-davis
Klasse-4 - Weerstation Lichtenberg in Silvolde (Gelderland)
 
Klasse 5 – Zeer open ligging 
Bij deze classificatie bevinden zich geen obstakels binnen een afstand van minimaal 10H van de temperatuur- en neerslaginstrumenten. Hierdoor is
de invloed van de directe omgeving op de metingen zeer beperkt. In Nederland komt deze mate van openheid relatief weinig voor. Het weerstation
in Stavoren is een voorbeeld van een meetlocatie die aan deze classificatie voldoet. Dergelijke locaties zijn vooral in het noorden en westen van Nederland te vinden. 
 
Klasse 4 – Open ligging 
Bij een open ligging bevinden de meeste obstakels en verwarmde gebouwen zich op een afstand van minimaal 2H, maar binnen een straal van 5H
van de temperatuur- en neerslaginstrumenten. Hierdoor is de meetlocatie relatief vrij van directe invloeden door bebouwing en andere obstakels.
Een voorbeeld hiervan is het weerstation Lichtenberg. Dit station beschikt over een automatisch Davis-weerstation, een traditionele thermometerhut en een Hellmann-standaardregenmeter. 
 
Weerstation-Arcen
Klasse-3 - KNMI weerstation Arcen (Limburg)
 
Weerstation-Hattemerbroek
Klasse-2 - Weerstation Hattemerbroek
 
Klasse 3 – Standaardligging 
Bij deze classificatie bevinden zich geen significante obstakels of verwarmde gebouwen binnen een afstand van 2H van de temperatuur- en neerslaginstrumenten. In de directe omgeving kan wel begroeiing of bebouwing aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de temperatuurmetingen enigszins afwijken van metingen op een volledig open locatie. De gemeten neerslaghoeveelheden zullen doorgaans weinig verschil vertonen met die van een open meetopstelling. 
 
Klasse 2 – Beperkt beschutte ligging 
Bij deze classificatie bevinden de meeste obstakels en verwarmde gebouwen zich binnen een afstand van 2H, maar buiten een afstand van 1H van
de temperatuur- en neerslaginstrumenten. Een dergelijke meetlocatie bevindt zich bijvoorbeeld in een tuin met verschillende obstakels, zoals lage
en hoge bomen. Afhankelijk van de windrichting kunnen de temperatuurverschillen ten opzichte van een volledig open meetlocatie verder oplopen. Vooral bij zonnig weer kan door de aanwezigheid van bomen, bebouwing en andere oppervlakken een zogenoemd tuineffect ontstaan.
Het tuineffect ontstaat wanneer de directe omgeving van een meetstation, bijvoorbeeld door bestrating, muren, gebouwen en begroeiing,
de temperatuurmeting beïnvloedt. Hierdoor kan de gemeten temperatuur afwijken van die op een meer open meetlocatie 
 
Klasse-1 - Weerstation Ansbach (Duitsland)
 
Klasse-0 - Weerstation in Italië
 
Klasse 1 – Beschutte ligging 
Bij deze classificatie bevinden zich significante obstakels of verwarmde gebouwen binnen een afstand van 1H van de temperatuur- en neerslaginstrumenten. De meetlocatie wordt hierdoor sterk beïnvloed door de directe omgeving. Dit kan bijvoorbeeld een tuin zijn met veel bomen, hoge begroeiing of nabijgelegen bebouwing 
 
De gemeten waarden kunnen aanzienlijk afwijken van die op een meer open meetlocatie. Wanneer gebruik wordt gemaakt van geschikte en
goed functionerende meetinstrumenten, blijven de waarnemingen echter waardevol en representatief voor de betreffende locatie. 
 
Klasse 0 – Zeer beschutte ligging 
Bij deze classificatie wordt de blootstelling van de meetinstrumenten aan zonnestraling, wind en neerslag ernstig beperkt door obstakels in de
directe omgeving. Dit komt bijvoorbeeld voor bij een weerstation in een dichtbebouwde stedelijke omgeving, waar gebouwen de temperatuur-
en neerslagmetingen sterk beïnvloeden. 
 
De temperatuurmetingen kunnen hierdoor aanzienlijk afwijken van die op een open meetlocatie. Ook de gemeten neerslaghoeveelheid kan door de sterke windafscherming en de aanwezigheid van obstakels worden beïnvloed. De waarnemingen geven in dit geval vooral inzicht in de meteorologische omstandigheden op de specifieke meetlocatie. 
 
Overzicht van de classificaties
 
De classificatie van een weerstation geeft inzicht in de omstandigheden waaronder de meteorologische waarnemingen worden uitgevoerd.
Hierbij wordt vooral gekeken naar de mate van beschutting en de mogelijke invloed van de directe omgeving op de meetresultaten.
 
Een lagere classificatie betekent niet automatisch dat een weerstation ongeschikt is of dat de metingen onbetrouwbaar zijn. Ook een station
in een stedelijke of sterk beschutte omgeving kan waardevolle waarnemingen leveren, mits de gebruikte meetinstrumenten geschikt
zijn en correct functioneren.
 
Klasse Ligging Afstand tot obstakels
5 Zeer open 10H
3 Open 5H tot 10H
3 Standaard 2H tot 5H
2 Bepekt beschut 1H tot 2H
1 Beschut Binnen 1H
0 Zeer beschut Sterke belemmering van de bloodstelling
 
De classificatie helpt vooral om meetgegevens op de juiste wijze te interpreteren en onderling te vergelijken. Daarbij moet rekening worden
gehouden met de ligging van het station, omdat temperatuur-, neerslag- en windmetingen op verschillende locaties onderling kunnen afwijken.
Het doel van de classificatie is dus niet alleen de kwaliteit van een meetstation te beoordelen, maar vooral inzicht te geven in de invloed van de omgeving op de waarnemingen.
 
Aanvullende aanduidingen bij de stationsclassificatie
 
http://www.davisnet.com/wp-content/uploads/2016/06/6250-6357_VV_rooftop_MiklosFarkas_Hungary.jpg
Klasse-R - Weerstation op een dak (bron: Davis.net)
 
http://www.weatherforschools.me.uk/images/grendon_road.jpg
Klasse-T - Weerstation langs de weg  (bron: Weather for schools)
 
R (Rooftop) – Op een dak gelegen station
Weerstations die op daken zijn opgesteld, vormen een bijzondere categorie. Voor temperatuur- en neerslagmetingen wordt een dergelijke
opstelling bij voorkeur vermeden. De temperatuurmeting kan worden beïnvloed door de opwarming en uitstraling van het dak. Daarnaast kan de windstroming boven gebouwen sterk afwijken van die op maaiveldniveau. Hierdoor kan de regenmeter minder neerslag opvangen dan er daadwerkelijk valt. De meetresultaten moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd en zijn niet zonder meer vergelijkbaar met waarnemingen van stations op maaiveldniveau.
 
T (Traffic) – Station nabij verkeer
Deze aanduiding wordt gebruikt wanneer een weerstation zich in de directe omgeving van een openbare weg of verkeersroute bevindt.
Vooral bij drukke wegen kunnen uitlaatgassen, warmteontwikkeling door verkeer en veranderingen in de directe omgeving invloed hebben op bepaalde meteorologische waarnemingen. Bij de beoordeling van de meetlocatie moet daarom rekening worden gehouden met de afstand tot
de weg en de aard van het verkeer.
 
U (Unknown) – Onbekende situering
Deze aanduiding wordt gebruikt wanneer onvoldoende informatie beschikbaar is over de ligging en de opstelling van het weerstation.
Omdat de afstand tot obstakels, de mate van beschutting en andere omgevingsfactoren niet bekend zijn, kan de invloed van de meetlocatie op
de waarnemingen niet betrouwbaar worden beoordeeld. De meetgegevens kunnen wel worden gebruikt, maar bij vergelijking met andere stations
s extra voorzichtigheid geboden.
 
Classificatie van de luchttemperatuurmeting (T)
 
De kwaliteit van een luchttemperatuurmeting wordt bepaald door het gebruikte meetinstrument, het toegepaste stralingsscherm, de ijking en de situering van het meetstation. Op basis hiervan wordt de temperatuurmeting ingedeeld in een klasse van A tot en met D. Daarnaast zijn er de aanduidingen U en 0.
 
 
Classificatie van de neerslagmeting (N)
 
 
Clasificatie van de windmeting (W)
 
 
Indeling naar stedelijk gebied en stedelijke zone
 
De omgeving van een meetstation kan worden ingedeeld op basis van de mate van verstedelijking, de bebouwingsdichtheid en het type bebouwing. De onderstaande indeling loopt van sterk verstedelijkte gebieden tot semi-landelijke omgevingen.
 
Zone-1 - Hoge gebouwen aan het Weena in Rotterdam Centrum
 
Zone-2 -deze stedelijke klimaatzone is te vinden in (grote) steden.
 
Klasse 1 – Zeer sterk verstedelijkt gebied
Deze zone komt voor in de grote steden, zoals Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Kenmerkend zijn zeer hoge gebouwen, die een hoogte van 100 meter of meer kunnen bereiken, afgewisseld met lagere bebouwing en brede straten. De hoge gebouwen beïnvloeden de windstroming op grote schaal. Wanneer lucht tussen gebouwen wordt geleid of door een nauwere doorgang stroomt, kan de windsnelheid
plaatselijk toenemen. Dit wordt vaak vergeleken met het Venturi-effect: een stroming kan versnellen wanneer de beschikbare doorgang kleiner wordt. Rond hoge gebouwen ontstaan daarnaast wervelingen, turbulentie en sterke verschillen in windsnelheid. Vooral op straatniveau en bij doorgangen tussen gebouwen kunnen daardoor plaatselijk krachtige windvlagen optreden. De wind kan bovendien plotseling van richting veranderen.
Voor meteorologische waarnemingen betekent dit dat de windomstandigheden sterk kunnen verschillen over korte afstanden. Een windmeting op
één locatie is daarom niet zonder meer representatief voor de gehele stedelijke omgeving.
 
Zone 2 – Dichtbebouwd stedelijk gebied
Deze zone komt vooral voor in de binnensteden van grotere plaatsen. De bebouwing bestaat voornamelijk uit aaneengesloten gebouwen van vier
of meer verdiepingen. Er is veel bestrating en relatief weinig groen. Door de grote hoeveelheid steen, beton en asfalt wordt overdag veel warmte opgenomen. Deze materialen geven de opgeslagen warmte gedurende de avond en nacht geleidelijk weer af. Daarnaast is er in dichtbebouwde gebieden vaak minder ruimte voor verdamping en natuurlijke afkoeling.
 
Hierdoor kan de temperatuur in de binnenstad tijdens warme omstandigheden ongeveer 2 tot 5 °C hoger liggen dan in het omliggende landelijke gebied. Dit verschijnsel staat bekend als het stedelijk hitte-eilandeffect. De temperatuurverschillen zijn vooral merkbaar tijdens heldere, windarme nachten. De mate waarin het hitte-eilandeffect optreedt, hangt onder andere af van de bebouwingsdichtheid, de hoeveelheid groen, de weersomstandigheden en het tijdstip van de dag.
 
Zone-3 - Omgeving die in veel in steden voorkomen
 
Zone-4 -Bedrijventerrein met kantoren, er is industrie en wegen
 
Zone 3 – Sterk verstedelijkt woongebied
Deze zone komt voornamelijk voor aan de randen van grotere steden en in kleinere steden en dorpen. De wijken zijn vaak ruim opgezet en
bestaan uit woningen van één tot enkele verdiepingen, afgewisseld met straten, parkeerplaatsen, grasvelden, speelplaatsen en een matige hoeveelheid groen. Veel van deze woonwijken zijn enkele tientallen jaren geleden gebouwd. De bebouwing staat minder dicht op elkaar dan in de binnenstad, waardoor er meer open ruimte aanwezig is. Toch kunnen woningen, bomen en andere obstakels de wind en de temperatuur
plaatselijk beïnvloeden.
 
Plaatsing van meetinstrumenten
In deze omgeving kan een windmeter op een geschikte mast of op het dak worden geplaatst. Bij een dakopstelling moet rekening worden
gehouden met de invloed van het gebouw op de windstroming. Een regenmeter kan het beste zo vrij mogelijk in de tuin worden opgesteld,
op de voorgeschreven hoogte boven de grond en op voldoende afstand van gebouwen, bomen en andere obstakels.
 
Zone 4 – Stedelijk bedrijventerrein
Deze zone bevindt zich meestal aan de rand van steden en bestaat voornamelijk uit bedrijventerreinen en handelsgebieden. De bebouwing is overwegend laag en bestaat uit bedrijfshallen, kantoren en grote bedrijfsgebouwen. Kenmerkend zijn brede wegen, uitgestrekte parkeerplaatsen
en relatief weinig groen.
 
Door de grote oppervlakken van asfalt, beton en dakbedekking kan overdag veel warmte worden opgenomen. Deze warmte wordt later weer aan
de omgeving afgegeven, waardoor de temperatuur lokaal kan oplopen. De windstroming wordt beïnvloed door de bedrijfspanden en de onderlinge afstand tussen de gebouwen. Rond gebouwen en langs brede wegen kunnen plaatselijk versnellingen en turbulentie ontstaan.
 
Meteorologische betekenis
Bij het plaatsen van een weerstation moet rekening worden gehouden met de invloed van gebouwen, verharde oppervlakken en eventuele warmtebronnen. Vooral bij temperatuurmetingen is het belangrijk om voldoende afstand te houden tot gebouwen, parkeerplaatsen en andere oppervlakken die warmte afgeven.
 
Zone-5 - vrijstaande huizen en tussenliggend groen
 
Zone-6 -verspreid grote gebouwen, daartussen open terrein met groen
 
Zone 5 – Voorstedelijk en groen woongebied
Deze zone komt voornamelijk voor aan de rand van steden en dorpen. De bebouwing bestaat uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen, met relatief ruime tuinen, veel groen en verspreid staande bomen en struiken. Een weerstation in deze omgeving staat vaak in een tuin en wordt
daardoor gedeeltelijk beschut door woningen, hagen en bomen. De invloed van het stedelijke hitte-eilandeffect is doorgaans kleiner dan in dichtbebouwde woonwijken en binnensteden. Door de aanwezigheid van ruime tuinen is het vaak mogelijk om een geschikte meetopstelling te realiseren. Wel moet rekening worden gehouden met de invloed van begroeiing en bebouwing op de windstroming en de temperatuurmeting.
 
Meteorologische betekenis
Vooral de vrije plaatsing van de regenmeter en de afstand tot bomen en gebouwen verdienen aandacht. Een windmeter kan op een geschikte mast worden geplaatst, waarbij de hoogte en de obstakels in de directe omgeving bepalend zijn voor de representativiteit van de windmeting.
 
Zone 6 – Gemengd bebouwd gebied
Deze zone komt voornamelijk voor aan de rand van steden en bestaat uit ruim opgezette terreinen waar grotere instellingen en voorzieningen zijn gevestigd. Voorbeelden zijn ziekenhuizen, universiteiten, onderwijsinstellingen, zorgcomplexen en luchthavens. De bebouwing bestaat uit grotere gebouwen die verspreid liggen in een relatief open omgeving. Tussen de gebouwen bevinden zich vaak groenstroken, grasvelden, wegen en parkeerplaatsen. Hierdoor is de bebouwingsdichtheid lager dan in de binnenstad, maar kunnen de grote gebouwen de windstroming plaatselijk beïnvloeden.
 
Meteorologische betekenis
De meetomstandigheden kunnen binnen deze zone sterk verschillen. Een weerstation op een open grasveld kan relatief weinig hinder ondervinden
van bebouwing, terwijl een station dicht bij een groot gebouw te maken kan krijgen met windafscherming, turbulentie en lokale temperatuurinvloeden. Bij de plaatsing van meetinstrumenten moet daarom vooral rekening worden gehouden met de afstand tot de gebouwen en de vrije ruimte rondom het meetstation.
 
Zone 7 – Semi-landelijk gebied
Deze zone kenmerkt zich door een overwegend landelijk karakter en bevindt zich buiten de bebouwde kom van dorpen en steden.
Het landschap bestaat voornamelijk uit landbouwgrond, weilanden, natuurgebieden, bos en eventueel open water. De bebouwing is schaars en bestaat uit verspreid staande woningen, boerderijen of landhuizen. Kassencomplexen vallen buiten deze zone.

De omgeving is doorgaans opener dan in stedelijke gebieden, waardoor de invloed van bebouwing op de meteorologische waarnemingen
meestal beperkt is. Plaatselijke obstakels, zoals bomenrijen, bosranden en gebouwen, kunnen echter nog steeds invloed hebben op de windstroming en de temperatuur.
 
Meteorologische betekenis
Een weerstation in deze zone kan, mits het op een geschikte locatie is opgesteld, een goed beeld geven van de meteorologische omstandigheden in het landelijke gebied. Vooral de afstand tot bomen, bosranden en gebouwen is van belang. Ook moet rekening worden gehouden met de invloed van nabijgelegen water of verschillende
soorten begroeiing.
 
Zone-7 - platteland met verspreide huizen.
Hoe wordt de classificatie van een meetlocatie berekend?
Iedere meetlocatie binnen het Weather Observations Website (WOW)-netwerk krijgt automatisch een stationsclassificatie (Site Ranking).
Deze classificatie wordt bepaald aan de hand van de kenmerken die bij de registratie van het weerstation zijn opgegeven.
De beoordeling resulteert in een waardering van één tot en met vijf sterren. Hierbij wordt rekening gehouden met drie onderdelen:
S – Situering: de ligging en omgevingsomstandigheden van het meetstation.
T – Temperatuur: de kwaliteit van de temperatuurmeting
N – Neerslag: de kwaliteit van de neerslagmeting
De combinatie van deze drie onderdelen bepaalt de uiteindelijke sterrenwaardering.
 
Waardering Voorwaarden
  5 sterren   S = 5; T = A; N = A
  3 sterren   S ≥ 3; T = A; N = A
  3 sterren   S ≥ 3; T = A, B of C; N = A, B of C
  2 sterren   S ≥ 1; T en N mogen willekeurig zijn
  1 sterren   S = 0, 1, R of U; T en N mogen willekeurig zijn
 
Wanneer niet alle meetgegevens beschikbaar zijn
Niet iedere meetlocatie voert zowel temperatuur- als neerslagmetingen uit. Daarom gelden aanvullende regels:
 
Alleen temperatuurmeting: de classificatie wordt bepaald op basis van de situering en de kwaliteit van de temperatuurmeting.
Alleen neerslagmeting: de classificatie wordt bepaald op basis van de situering en de kwaliteit van de neerslagmeting.
Geen informatie over temperatuur- en neerslagmetingen: de locatie krijgt één ster
 
Betekenis van de classificatie
De sterrenwaardering geeft een indicatie van de kwaliteit en betrouwbaarheid van de meetlocatie, rekening houdend met de situering en de
gebruikte meetinstrumenten.
 
Een hogere sterrenwaardering betekent dat de locatie en de meetomstandigheden beter voldoen aan de gestelde criteria. Een lagere waardering betekent niet automatisch dat de meetgegevens onbruikbaar zijn. De gegevens kunnen nog steeds waardevol zijn voor het vastleggen van de
lokale weersomstandighe