Verklaringen van veel gebruikte termen
 
Anticycloon of hogedrukgebied 
Een hogedrukgebied, anticycloon of maximum is een gebied waarin de luchtdruk op zeeniveau hoog is ten opzichte van de omgeving.
Dit in tegenstelling tot een lagedrukgebied, waarin juist relatief lage barometerstanden worden gemeten. Het symbool voor een hogedrukgebied is de letter H. Ze worden op weerkaarten gebruikt om aan te geven waar een hogedrukgebied zich bevindt en worden altijd in de kern van een hogedrukgebied weergegeven waar de luchtdruk het hoogst is.
 
Een vuistregel voor meteorologen is dat stijgende luchtdruk een weers-verbetering aankondigt, terwijl dalende druk tot een weersverslechtering leidt.
In de praktijk zal dat echter niet altijd het geval zijn. Dit heeft te maken met de dalende lucht in het hogedrukgebied.
 
Hogedrukgebieden bewegen veel langzamer over het aardoppervlak dan lagedruk-gebieden. Soms staan ze langdurig stil. Als een hogedrukgebied stilstaat boven Scandinavië, ten noorden van Nederland, zal er in Nederland een oostelijke wind waaien. Deze voert in de winter koude lucht aan uit het oosten. In de zomer leidt zo'n noordelijk gelegen hogedrukgebied tot een periode van warme, droge oostenwind.
 
De wind om een hogedrukgebied draait op het noordelijk halfrond over het aardoppervlak met de wijzers van de klok mee, op het zuidelijk halfrond tegen de wijzers van de klok in, de anticyclonale circulatie. Dit wordt veroorzaakt door de draaiing van de aarde
 
Een uitloper van het hogedrukgebied wordt een rug van hoge druk genoemd, een snel passerend hogedrukgebied een trekrug of tussenhoog. Het bekendst is het Azorenhoog bij de Azoren dat ontstaat door de uitwisseling van warmte tussen de tropen en de poolgebieden
  Afbeeldingsresultaat voor anticycloon
 
Bedekkingsgraad 
De bedekkingsgraad is het totaal bewolkte gedeelte van de hemel. Het is met onder meer de soort bewolking van invloed op de neerslagkansen.
De bedekkingsgraad is het laagst in subtropische hogedrukgebieden en neemt toe op lagere en hogere breedte. De hoogste bedekkingsgraad ligt tussen 60° en 70° breedte. Verder is deze hoog bij de westkusten van de continenten op de gematigde en hogere breedtes. De westelijke winden voeren daar vochtige oceaanlucht aan die tegen de kust opstijgen. De bedekkingsgraad heeft een dagelijkse en jaarlijkse gang. De hoeveelheid bewolking wordt uitgedrukt in achtste delen (octa´s). Zo staat 0/8 voor onbewolkt, 1/8 voor vrijwel onbewolkt, 4/8 voor half bewolkt en 8/8 voor geheel bewolkt.
 
Wolkenloos 1/8 2/8 3/8 4/8
5/8 6/8 7/8 Bewolkt Hemel niet zichtbaar
Buien
Buien ontstaan in onstabiele, vochtige luchtstromen (bijvoorbeeld maritiem polaire lucht). owel boven zee als boven land of vanwaar de wind waait, kunnen ze een zekere dagel jkse gang vertonen,maar boven land vertonen ze zelden enige regelmaat.Door berghellingen worden buiige luchtstromingen gedwongen hun vocht in de vorm van regen of sneeuw los te laten, waardoor het gebied aan de lijjzijde van heuvelruggen of bergketens vrij van buien kan zijn. In het binnenland,waar het 's morgens helder en koel is,kunnen de buien tegen de middag ontstaan. De nachten zijn daar dan weer helder met een schitterende sterrenhemel.
 
Castellanus 
In de vorm van "kantelen" of "torentjes". Het wijst meestal op een chaotische windrichting op een bepaalde hoogte. Meest gekend is altocumulus castellanus, soms de voorbode van onweer. Op grotere hoogte is er cirrocumulus castellanus.
 
Condensstrepen
Condensstrepen van vliegtuigen kunnen een hulpmiddel zijn bij het bepalen van snelheid en richting van de wind op grote hoogte. Als ze dicht zijn wijzen ze op de mogelijke aanwezigheid van een warmtefront. Als ze slechts korte tijd zichtbaar blijven is de lucht op vlieghoogte betrekkelijk droog zodat geen belangrijke weersveranderingen zullen optreden. Door sterke bovenwinden worden de condensstrepen vrij snel uiteengerafeld. Als dit in zijwaartse richting gebeurt, staat de wind dwars op de vliegrichting. Als alleen rafelige golvingen worden gevormd, (zonder zijwaartse flarden dus) waait de wind parallel aan de vliegrichting. 
 
Cyclonale winden  
Dit zijn winden die geleidelijk van richting veranderen, b.v. wanneer een depressie (of cycloon) over de waarnemingspost trekt. Ze draaien geleidelijk met de wijzers van de klok mee wanneer op het noordelijk halfrond een depressie in noordelijke richting aan de waarnemer voorbijtrekt, maar tegen de wijzers van de klok in wanneer de depressiekern ten zuiden van ons passeert.
 
 
Dagelijkse gang.  
De luchttemperatuur bij het aardoppervlak is kort na het middaguur het hoogst en bij het eerste ochtendgloren het laagst. Deze verandering van maximum tot minimum en terug heet de dagelijkse gang van de temperatuur. Windsnelheid en cumulusbewolking volgen dezelfde dagelijkse gang
en bereiken eveneens hun maximum kort na het middaguur en hun minimum omstreeks zonsopgang. Met de vochtigheid is het precies andersom, die is in de middag het laagst en bij het aanbreken van de dag het hoogst.
 
 
Depressie of lagedrukgebied
Een lagedrukgebied, depressie of minimum is een gebied waarin de luchtdruk op zeeniveau laag is ten opzichte van de omgeving. Dit in tegenstelling tot een hogedrukgebied, waarin juist relatief hoge barometerstanden worden gemeten.
 
Door de lage druk stroomt de lucht naar het centrum, door wrijving en het corioliseffect spiraalsgewijs. De isobaren naderen elkaar hier.
Deze cyclonale circulatie is op het noordelijk halfrond tegen de klok in en op het zuidelijk halfrond met de klok mee. Door dit samenstromen van de lucht of convergentie moet de lucht naar boven uitwijken. Doordat de stijgende lucht afkoelt,  zal er bij voldoende vochtigheid wolkenvorming optreden met mogelijke neerslag.
 
Het symbool voor een lagedrukgebied is de letter L. Hiermee wordt op weerkaarten aangegeven waar een lagedrukgebied zich bevindt. Het geeft altijd de kern van een lagedrukgebied aan, waar de luchtdruk het laagst is. Ook de fronten van een lagedrukgebied worden op de weerkaart getoond, omdat dit slecht weer met zich meebrengt.
 
Floccus.
Een vorm van op een kudde wollige schapen gelijkende altocumuiuswolken, ook wel grove schapewolkjes genoemd, meestal gepaard gaand met onweersachtig weer. Wordt vaak samen met castellanus waargenomen. 
 
Fractus of stratus fractus
Fractus is een vorm van stratus die wordt waa rgenomenwan­ neer deze lage bewolking zich vormt of uiteengejaagd wordt.
 
lnversies
Onder normale omstandigheden daalt de temperatuur met de hoogte (gemiddeld 5,5° (per 1000 meter). Doordat 's nachts bij rustige lucht het aardoppervlak afkoelt,koelt ook de lucht vlak daarboven af en bljft de lucht in de hogere lagen warmer. Dan verandert dus het verloop en stijgt de temperatuur over een bepaalde afstand met de hoogte. Deze luchtlaag waarin het temperatuurverloop is omgedraaid wordt een inversie genoemd. leer sterke inversies treden op wanneer de lucht van grotere hoogten neerdaalt en verwarmd wordt. De tropopauze is een sterke, permanente inversie waaronder zich alle weersveranderingen afspelen. lnversies houden een gesloten wolkendek zoals stratocumulus vast en vormen zodoende een 'deksel' boven de lagere wolken. Hierdoor kan men vaak televisiebeelden van verre stations ontvangen
 
Depressie boven IJsland
 
Rook stijgt niet verder door een inversielaag
 
Straalstroom gezien vanuit de ISS 
 
Jetstream of straalstromen
Zeer snelle 'windrivieren' die om de gematigde en subtropische luchtstreken van beide halfronden kronkelen. Ze komen gewoonlijk op ongeveer
10 km hoogte voor en staan in verband met het ontstaan en de voortbeweging van depressies. Ze gaan gepaard met karakteristieke wolkenvorming en zijn duidelijke voortekenen van naderend slecht weer. Weerstoestanden die niet in overeenstemming met het jaargetijde zijn, treden op wanneer Jetstromen tot buiten hun normale geografische breedte reiken.  
 
Knot (knoop).  
Een snelheid van één zeemijl per uur. Over de gehele wereld wordt hiermee de windsnelheid aangegeven. 1 knot (kt) = 1.855 km per uur. 
 
Koufront 
Het gebied tussen een warme luchtmassa (gewoonlijk tropisch maritiem) en een koude (gewoonlijk polair maritiem). Koufronten passeren meestal
in de helft van de tijd die warmtefronten daarvoor nodig hebben. Het frontale oppervlak van een koufront helt achterover en is bijna tweemaal zo
steil als de helling van het warmtefront (grafiek 2). 
 
 
Een dwarsdoorsnede vanhet front van een geheel ontwikkelde depressie. De afstanden en tijden zijn zoals gebruike/ijk en worden aangegeven voor de wolken en het weer voorafgaand aan het warmte­ front en achter hetkoufront. Depassage van de warmesector kan een aanttal uren duren of kan zelfs ongemerkt voorbijgaan. In het laatstegeval is de depressie in het stadium van occlussie. Het overblijvende occluderende front wordt gevormd door dein elkaar geschoven warmte-en koufronten. De grijze cijfers boven de tekening geven de paginanummers aan waar deze verschijnselenn nader worden uitgeegd. Bron: Bol.com
 
Luchtdrukverval. 
Hiermee wordt het volgende bedoeld: 
 
1: Zeer snelle daling (of stijging) 8-10 millibar of meer binnen 3 uren. 
2: Snelle daling (of stijging) 6-8 millibar binnen 3 uren 
3: Matige daling (of stijging) 3-6 millibar binnen 3 uren 
4: Langzame daling (of stijging) minder dan 3 millibar binnen 3 uren. 
 
Het verval wordt om de 3 uur opgenomen om er zeker van te zijn dat het inderdaad een verval is en niet slechts een kleine tijdelijke verandering.   
 
Luchtmassa's 
Deze worden als regel aangevoerd van grote hogedrukgebieden (anticyclonen).  
 
Benaming Afkorting Weertype Afkomstig van
 Maritiem tropisch mt   Veel bewolking m0tregen en regen.
  Slecht zicht en mist. (9, 10, 22) 
 Azoren Hoog 
 Maritiem polair mp   Buien en opklaringen.
  Goed zicht.(11,12,13,15,24) 
 Pool Hoog 
 Terugkerend
 maritiem polair
tmp  Koel maar goed weer.
 Goed zicht. (19, 21)
  Pool Hoog, maar gematigd door de lange weg over de oceaan 
 Continentaal polair cp   In de winter zeer koud en vaak  bewolkt   Siberisch of Scandinavisch Hoog
 Continentaal tropisch ct   Zeer warm en vaak onbewolkt. (7, 17)     Zuid-Europa ofNoord-Afrika 
 
Mist 
Mist kan ontstaan door afkoeling van de grond (stralingsmist), door vermenging van twee luchtmassa's met verschillende temperatuur en/of vochtigheid (mengmist) of wanneer een warme luchtmassa boven koude grond aankomt, zoals bij snelle dooi. De kans op stralingsmist is het
grootst tijdens rustige nachten en wordt bevorderd door rook van industrieën en huisverwarming. Het meest vatbaar zijn plaatsen in de luwte of in
de nabijheid ervan, maar lager gelegen dan bebouwde kommen. Stralingsmist wordt meestal door de zon verjaagd, maar de zonnestralen
kunnen door hoge bewolking worden tegengehouden en in dat geval kan de mist hardnekkig zijn.
 
Als in de winter die bewolking uit stratocumulus bestaat kan de zogenaamde 'smog' worden gevormd (met roet bezwangerde mist). Mengmist kan behalve door vermenging van twee luchtmassa's met verschillende temperaturen ook ontstaan wanneer in het voorjaar en de voorzomer de wind van zee gaat waaien. Bij toenemende wind gaat de mist soms in lage stratusbewolking over.  
 
Nebulosis 
Nebulosus is een meteorologische term voor een wolkenstructuur. Bedoeld worden mistachtige, structuurloze wolken in de vorm van een sluier of een laag die geen duidelijke details laat zien. Deze term wordt voornamelijk gebruikt voor cirrostratus en stratus. Mist is vaak ook Stratus nebulosus, maar kan ook behoren tot de soort Fractus .  
 
Rook die niet verder kan stijgen door een inversielaag
 
Passage van een occlusie
 
Occlusie 
Een occlusiefront is een front dat ontstaat waar een koufront en een warmtefront elkaar raken doordat koufronten sneller gaan dan warmtefronten. Een occlusiefront (Latijn: occlusio, sluiting of opsluiting en frons, voorhoofd of voorzijde) begint waar een koufront op een warmtefront botst en vervolgens eindigt in de kern van de depressie. De lucht rondom een depressie draait op het noordelijk halfrond altijd tegen de wijzers van de klok in. De plek waar het koufront het warmtefront inhaalt is het occlusiepunt. In dit gebied valt de meeste regen. 
 
Onstabiele luchtstroom.  
Dit is een luchtstroom waarin de lucht in een stijgende beweging is en tot grote hoogte opstijgt. Een inversie zal ten slotte verdere stijging
verhinderen (en daarmee wolkenvorming boven een bepaalde hoogte). Het hoogste (en meest ondoordringbare) niveau dat door wolken kan worden bereikt is de tropopauze.  
 
Cirrus en cumulonimbus blijven meestal beneden de tropopauze die zich op ongeveer 13 km boven de gematigde luchtstreken van beide halfronden bevindt. (Boven de polen op ongeveer 8 km en boven de equator op ongeveer 16 km). Onstabiele luchtstromen worden gekenmerkt door cumulusvormige wolken, opstijgende en verstrooiende rook, goed zicht en gematigde temperaturen. 
 
Onweer  
Deze kunnen afzonderlijk voorkomen (warmteonweer), in reeksen (frontale onweer), of in gebieden die vaak samengaan met dalende luchtdruk (zadels). Een enkele onweersbui is als het ware een schacht met stijgende en dalende luchtstromen met een levensduur van twintig minuten tot een half uur.  
 
Als daarbij nog een frontale stijging komt (vooral door koufronten) dan zullen de van grote hoogte vallende regen en hagel rondom de schacht nieuwe koudezuilen doen ontstaan die de lucht weer met nieuwe schachten opheffen. Deze dochterschachten nemen dan de taak van de stervende moeder over en vormen op 2000 tot 3000 meter hoogte (soms nog hoger) nieuwe onweer in een richting afhankelijk van de richting van de bovenwind 
 
Onweersachtige buien 
Deze zijn herkenbaar aan verwarde strepen, vlekken, flarden en golvingen in de opbouw op middelbare hoogte van de bewolking vóór een warmtefront. Ze kunnen hier en daar zwaar zijn, maar zullen niet altijd tot onweer uitgroeien, al lijken ze er veel op. 
Onweersachtige hemel. 
Hiervan spreekt men wanneer de verschillende wolkensoorten zich op verschillend niveau in verschillende richtingen verplaatsen en zodoende een chaotische indruk geven.
Dit verschijnsel komt niet alleen in de zomer voor.  
 
 
Orografische buien.  
Regenbuien die ontstaan door de opheffing van een vochtige luchtstroom boven heuvels. Boven bergen kan de neerslag in elk jaargetijde uit sneeuw of natte sneeuw bestaan. Luchtstromen die boven vlak land geen neerslag veroorzaken, kunnen, wanneer ze gedwongen worden over heuvelruggen te trekken, zware en langdurige regen, buien, onweer enz. produceren. Een goed voorbeeld hiervan is de grootste regenval in Nederland te Vaals.
 
Pannus  
Dit is een vorm van stratusbewolking die wordt veroorzaakt door onstuimige dwarrelwinden waardoor de lucht onder een wolkenbasis waaruit regen, sneeuw of natte sneeuw valt, wordt opgeheven en afgekoeld. De neerslag zal niet altijd de grond bereiken daar hij tijdens het vallen verdampt, waardoor de lucht vochtig wordt. Pannusbewolking voorspelt spoedige regenval, maar als het eenmaal begint te regenen, kan ze in een gesloten dek op 300 meter hoogte overgaan (5). Soms komt deze wolkenbasis beneden de 150 meter. 
 
Rug van hoge druk. 
Een gebied, gewoonlijk behorende bij een hogedrukgebied, waar de lucht in dalende beweging is (zie grafiek 1). 
 
Ruimen en krimpen.  
Men zegt dat de wind ruimt wanneer hij met de zon meedraait en krimpt wanneer hij tegen de zon indraait, bij voorbeeld van noordwest naar zuid. 
 
Stabiele luchtstroom.  
Een luchtstroom is stabiel als de lucht die erin tot stijgen wordt gedwongen, door warmte invloeden of terreinverheffingen, de neiging heeft weer te dalen. Een luchtstroom kan stabiele lagen boven onstabiele bevatten of andersom. Een temperatuur inversie scheidt een lagere onstabiele laag van een stabiele op hoger niveau. De kenmerken van een stabiele luchtstroom zijn: een gesloten wolkendek, neerdalende rook uit schoorstenen die zich slechts traag verspreidt, slecht zicht en afwijkende temperaturen. Luchtstromen die warmer zijn dan het oppervlak waarover ze strijken, zijn bij dat oppervlak stabiel.  
 
Straalstromen 
Zeer snelle 'windrivieren' die om de gematigde en subtropische streken van beide halfronden kronkelen. Ze komen gewoonlijk op ongeveer 10 km hoogtevoor en staan in verband met het ontstaan en de voortbeweging van depressies. Ze gaan gepaard met karakteristieke wolkvorming (1) en zijn duidelijke voortekenen van naderend slecht weer. Weerstoestanden die niet in overeenstemming met het jaargetijde zijn,treden op wanneer straalstromen tot buiten hun normale geografische breedte reiken 
 
Stratosfeer 
Het gedeelte van de dampkring boven de tropopauze. Daar vinden geen weersontwikkelinge n van enige betekenis plaats. 
 
Trog  
Een gebied,dikwijls een uitloper van een lagedrukgebied,waar de lucht voornamelijk in stijgende beweging is, hetgeen aanleiding geeft tot regen,
buien enLovoorl,en tijdelijke verslechtering van het weer. Een trog kan onl­ staan in een (gewoonl jk oud) front,of in een onstabiele polaire luchtstroom, voornamelijk aan de achterzijde van een depressie. 
 
Tropopauze 
Het gebied van de dampkring boven ongeveer 13 km dat een 'dek­ sel' vormt boven de weersontwikkelingen door verdere stijging van de lucht
vanaf de troposfeer te verhinderen. Het wordt gekenmerkt door een met de hoogte constant blijvende temperatuur. 
 
Troposfeer 
Dit is de laag tussen het aardoppervlak en gemiddeld 13 km hoogte. Boven de polen is de troposfeer als gevolg van de lagere temperaturen
ongeveer 8 km dik, terwijl hij boven de tropen, waar de lucht veel warmer is, tot zo’n 16 km reikt. De troposfeer is met name voor ons van belang omdat zich hierin het weer afspeelt. In de troposfeer neemt de temperatuur naar boven toe af met ongeveer 0,65° C per 100 m. Verder bevindt bijna al het in de atmosfeer aanwezige water zich in de troposfeer. Het water komt voor in vaste toestand (sneeuw en ijs), in vloeibare (wolkendruppels, regen, mist) én in gasvormige (waterdamp). Het onderste gedeelte van de troposfeer heet de atmosferische grenslaag. ’
s Nachts is deze enkele tientallen of hooguit enkele honderden meters dik; overdag bedraagt de grenslaaghoogte enkele km. De hoogte van de grenslaag hangt nauw samen met stabiliteit en windsnelheid. De tropopauze ligt aan de bovenzijde van de troposfeer op het niveau waar de temperatuur niet langer afneemt met de hoogte. De temperatuur bedraagt er ongeveer -56° C en verandert daar niet of nauwelijks meer met de hoogte. Een luchtlaag waarin de temperatuur niet of nauwelijks verandert met de hoogte heet een isotherme laag. 
 
 
Valstrepen 
Valstrepen zijn 'buien' van ijsnaaldjes, afkomstig uit hoge wolken - gewoonlijk cirrus - die enige duizenden meters uit de bovenlagen van de dampkring val­ len. Onder het vallen veranderen ze van richtingdoordat de wind op een lager niveau gewoonl jk minder sterk is dan die boven en
voor een gebied met slecht weer. Ze schijnen dan ook naar achteren af te wijken en achter te blijven bij de wolk waarin ze zijn ontstaan.Door het onderlinge verband tussen winden en temperaturen van luchtmassa's wijzen de staarten van de strepen over het algemeen in de richtingvan de warme luchtmassa .Valstrepen voor een warm­ tefront wijzen dan ook dikwijls naar het zuidwesten,en dieachter eenkoufront naar het zuidoosten (respectievelijk noordwest en noordoost op het zuidelijk halfrond). Dichte strepen, gepaard gaande met een zeer sterke daling van de windsnelheid met de hoogte,vormen de zogenaamde jetstroomwi mpels. Ze vormen strepen in een algemene richting voor minder sterk sprekende slechtweergebieden zoals in 2 en 3,en achter gebieden zoals in 16 beschreven. Voor onweersachtige troggen in de zomer zijn ze dicht, kronkelig en meer verticaal. Als ze in verschillende richtingen dalen,betekent het dat het goede weer zal aanhouden. Als ze in de richting van de benedenwindafwijken,wijzen ze op geen onmiddellijke verandering,zoals in 20. 
 
Virga  
Valstrepen van neerslag die worden gezien onder de laagste gedeelten van passerende actieve fronten. Ze kunnen de grond bijna raken,
vooral wan­ neer het sneeuwt. 
 
Vorst  
Hiervoor is koude lucht bij een heldere hemel nodig. Hij treedt het eerst oµ in laagten en oµ tegen de wind bed1utte µlaatsen. De temµeratuur van
de grond daalt het eerst beneden het vriespunt. Als de afkoeling voortduurt, zal de vorst zich geleidelijk in de onderste luchtlaag voortzetten.
Als vorst optreedt bijeen matige wind,zal het waarschijnlijk strenge vorst worden. 
 
Vrijwel onbewolkt en half bewolkt. 
Vrijwel onbewolkt wil zeggen dat de hemel over het algemeen helder is met minder dan twee tot drie achtste bewolking, terwijl half bewolkt betekent: een gedeeltelijk bewolkte hemel die voor drie tot zes achtste met wolken bedekt is. In beide gevallen is er geen neerslag, 's Nachts heeft het woord helder dezelfde betekenis als vrijwel onbewolkt 
 
Warmtefront. 
Het grensgebied tussen een koele of koude en een warme luchtmassa. De betroken luchtmassa's zijn vóór het front polair maritiem (vaak na
verloop van tijd verwarmd en gestabiliseerd) en achter het front tropisch maritiem. Het warmtefront is daar waar een warm frontaal oppervlak het aardoppervlak bereikt, terwijl het front zijn naam dankt aan de lucht erachter (grafiek 2). 
Warmtesector.  
De door de warme en koude fronten van een depressie ingesloten tropisch maritieme luchtmassa.  
 
Winterhelft van het jaar. 
Dat gedeelte vah het jaar waarin de slechtste maanden voorkomen, dat wil zeggen de koudste en stormachtigste. Ze hoeft niet samen te vallen met de officiële wintertijd en kan van de herfst tot in de lente voortduren. 
 
Zadel.  
Het gebied met geringe luchtdrukverschillen tussen twee hoge- of twee lagedrukgebieden 
 
Zomerhelft van het jaar. 
Dat gedeelte van het jaar waarin de warmste en zonnigste maanden voorkomen. 
 
Zwaar bewolkt  
wil zeggen dat de totale bewolking bijna de gehele hemel bedekt 

 
      Bronnen: Alan Watts - Teleweerboek 1968, Der Karlsruher Wolkenatlas, Wikipedia, KNMI  
 
    Categorieën: Zelf het weer voorspellen  I  Cursus Meteorologie  I   Wolkenatlas  I  Weer A tot Z
 
 
Web Design