Europese wetgeving luchtverontreiniging







 
In 2008 zijn verschillende Europese richtlijnen rond luchtverontreiniging samengegaan in de richtlijn 2008/50/EG Europese Gemeenschap (Europese Unie 2008). Hierin worden voor ozon, zwaveldioxide, stikstofdioxide, benzeen, koolmonoxide, lood, benzo[a]pyreen, PM10 fijnstof en PM2,5 fijnstof grens- en/of streefwaarden voorgeschreven, waar de lidstaten zich aan dienen te houden. Grenswaarden moeten binnen een bepaalde termijn worden bereikt, en mogen ook niet meer overschreden worden als deze gehaald zijn. Streefwaarden moeten voor zover mogelijk binnen een bepaalde termijn bereikt worden. Tevens wordt in de Europese richtlijn beschreven:
 
 - hoe deze waarden moeten worden gemeten
- aan welke kwaliteitseisen de modellen moeten voldoen
- op welke termijn aan deze waarden moet worden voldaan
- dat het publiek geïnformeerd dient te worden over de luchtverontreiniging in hun woonomgeving
- hoe dient te worden gewerkt bij grensoverschrijdende problematiek.
 
Stikstofdioxide (NO2)
 
Er zijn in Nederland voor stikstofdioxide twee EU European Union -grenswaarden van kracht: een jaargemiddelde van 40 µg/m3 en een uurgemiddelde grenswaarde van 200 µg/m3. De uurgemiddelde grenswaarde mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden. De EU-grenswaarden zijn gelijk aan de WHO advieswaarden. De grenswaarden in de Tabel onderaan deze pagina zijn sinds 1 januari 2015 van kracht
 
Stikstofoxiden en het Programma Aanpak Stikstofoxiden (PAS)
Voor stikstofoxiden (de som van stikstofmonoxide en stikstofdioxide) geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 30 µg/m3 in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, inrichtingen, autosnelwegen of hoofdwegen waar meer dan 50.000 voertuigen/etmaal van gebruik maken.
Deze grenswaarden zijn opgesteld ter bescherming van de vegetatie in deze gebieden.
 
Het PAS (in mei 2019 ongeldig verklaard door de Raad van State) was opgesteld om de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden terug te dringen. De aanpak richt zich hierbij op aanpak van de bronnen van stikstofverbindingen zoals stikstofoxiden en ammoniak en het uitvoeren van herstel werkzaamheden aan stikstofgevoelige natuur. De actuele stand van zaken met betrekking tot de aanpak stikstof is terug te vinden op de website
van de Rijksoverheid
 
Fijn stof
 
Voor fijn stof zijn zowel normen gesteld voor de concentraties van PM10 fijnstof als PM2,5 fijnstof . Voor PM10 is een jaargemiddelde EU European Union -grenswaarde van 40 µg/m3 vastgesteld, en een 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 dat maximaal 35 keer per jaar overschreden mag worden. Uit analyses van langjarige gemiddelden van PM10 is een relatie vastgesteld tussen het aantal keer dat het 24-uursgemiddelde wordt overschreden en de jaargemiddelde concentratie. Uit deze analyse blijkt dat de grenswaarde voor het 24-uurgemiddelde leidt tot een afgeleide jaargemiddelde grenswaarde van ongeveer 31,2 µg/m3. In dit getal is nog geen zeezoutaftrek verdisconteerd. Omdat deze waarde het meest strikt is, is deze waarde leidend in beleid. De WHO heeft een gezondheidskundige advieswaarde opgesteld voor PM10 van 20 µg/m3 (jaargemiddeld).
 
Sinds 1 januari 2015 is voor PM2,5 een jaargemiddelde EU-grenswaarde van kracht van 25 µg/m3. Daarnaast is een indicatieve grenswaarde van kracht van 20 µg/m3. In Nederland is de indicatieve grenswaarde daarom niet in regelgeving geïmplementeerd. Op dit moment wordt overal in Nederland ruimschoots voldaan aan de EU-grenswaarde en de indicatieve grenswaarde. De grenswaarden voor PM10 zijn een stuk strenger dan die voor PM2,5. Hierdoor hebben de grenswaarden voor PM2,5 in de praktijk geen toegevoegde waarde. De WHO heeft een gezondheidskundige advieswaarde van 10 µg/m3 vastgesteld voor PM2,5.
 
Naast deze grenswaarde gelden voor PM2,5 ook Europese normeringen voor de gemiddelde blootstellingsindex (GBI). Deze normeringen zijn alleen voor de landelijke overheid relevant, lokale overheden hoeven hier niet aan te toetsen. De GBI is gebaseerd op metingen van de landelijke, stedelijke achtergrondconcentratie. Deze is uitgedrukt als het voortschrijdende gemiddelde van de jaargemiddelden van de gemeten concentraties, berekend over 3 jaar. Hiervoor geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van 20 µg/m3, die in 2020 zou moeten zijn gehaald. Dit wil zeggen dat in 2020 de gemiddelde stadsachtergrondconcentratie over 2018, 2019 en 2020 lager moet zijn dan 20 µg/m3. Vanaf 1 januari 2020 geldt bovendien een EU-streefwaarde voor deze 3-jaarsgemiddelde blootstellingsconcentratie van 14,4 µg/m3 (Mooibroek et al. 2013).
 
Zeezoutaftrek
Voor toetsing aan de norm mag de concentratie PM10 gecorrigeerd worden voor de hoeveelheid zout die van nature of door strooien bij winterweer in de lucht voorkomt. In Nederland heeft dit de vorm gekregen van de zeezoutaftrek. Voor Nederland is voor iedere gemeente de gemiddelde concentratie zeezout in de lucht bepaald. Bij de bepaling van de jaargemiddelde concentratie PM10 mag deze bijdrage van de concentratie afgetrokken worden (zie Figuur de gemodelleerde gemiddelde zeezout concentratie). Voor de jaargemiddelde concentratie betekent dit een
correctie van 1 µg/m3 in Limburg, en 5 µg/m3 in enkele kustgemeenten. Ook betekent dit dat het 24-uursgemiddelde 2 tot 4 extra dagen overschreden mag worden (zie Figuur Het aantal overschrijdingsdagen). Voor PM2,5 geldt geen zeezoutaftrek.
 
De gemodelleerde gemiddelde zeezout concentratie voor de periode 2008-2010 (Hoogerbrugge et al. 2012).
 
Het aantal overschrijdingsdagen dat afgetrokken kan worden vanwege
de contributie van zeezout (Hoogerbrugge et al. 2012)
 
De zeezoutaftrek heeft geen gezondheidskundige basis. De concentratie-responscurves voor luchtverontreiniging zijn gebaseerd op de totale concentraties luchtverontreiniging, inclusief zeezout. Bij het adviseren en berekenen van de gezondheidseffecten van fijn stof, adviseert de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst daarom om deze zeezoutaftrek niet toe te passen.
 
Benzeen
 
Sinds 1 januari 2010 geldt voor benzeen een jaargemiddelde grenswaarde van 5 µg/m3. De WHO heeft voor benzeen het verwaarloosbare risico vastgesteld (het risico waarbij de kans op gezondheidseffecten voor de bevolking bij levenslange blootstelling 1:1.000.000 is). Dit ligt op 0,17 µg/m3, en is gebaseerd op de relatie tussen blootstelling aan benzeen en leukemie.
 
 Omschrijving van luchtverontreinigende stof en tijdsduur waarover gemiddelde wordt berekend  Grenswaarde  (ug/m²)
 SO2 (Zwaveldioxide)
 Uurgemiddelde concentratie, mag op 24 uur per jaar worden overschreden  350 µg/m3
 Daggemiddelde concentratie, mag op 3 dagen per jaar worden overschreden  125 µg/m3
 Jaargemiddelde concentratie (2)  20 µg/m3
 Winterhalfjaar gemiddelde (2)  20 µg/m3
 NO2 (stikstofdioxiden)
 Uurgemiddelde concentratie, mag op 18 keer per jaar worden overschreden  200 µg/m3
 Jaargemiddelde concentratie  40 µg/m3
 NOx (Stikstofoxiden)  
 Jaargemiddelde concentratie  30 µg/m3
 PM10 (fijn stof)
 Daggemiddelde concemtratie, mag op 35 dagen per jaar worden overschreden  40 µg/m3
 Jaargemiddelde concentratie  20 µg/m3
 PM2,5 (fijnstof)   
 Jaargemiddelde concentratiw   25 µg/m3
 Gemiddelde blootstelling index  20 µg/m3
 Lood
 Jaargemiddelde concentratie  0.5 µg/m3
 CO (koolmonixiden)
 8-uurs gemiddelde concentratie  10.000 µg/m3
 Benzeen
 Jaargemiddelde concentratie  5 µg/m3
 O3 (Ozon)
 Uurgemiddelde concentratie  240 µg/m3
 8-uurs gemiddelde concentratie  110 µg/m3
 Daggemiddelde concentratie (2)  65 µg/m3
 Groeiseizoengemiddelde concentratie (2, 4)  100 µg/m3
 
 
 
     Bronnen: RIVM  
 
    Categorieën: Gezondheid en luchtkwalitieit  I  Weer A tot Z
 
 
Web Design