| |
BEWOLKING 9.1 Inleiding
De hemel toont vrijwel elk moment weer een andere aanblik. De
bewolking is voortdurend aan verandering onderhevig. Wolken
komen dan ook voor in talrijke, verschillende vormen. Ze vormen
een afspiegeling van luchtstromingen in de atmosfeer en van
natuurkundige processen die daarin plaatsvinden. Zo is
bijvoorbeeld direct uit het uiterlijk van een wolk af te leiden
of hij vloeibaar water bevat of ijskristallen.
We kunnen verschillende wolkentypen onderscheiden door te letten
op hun kenmerken. Zo zijn er wolken die in de hoogte (verticaal)
lijken te groeien terwijl andere juist meer horizontaal
uitgespreid zijn. Ook valt er uit sommige wolken neerslag,
terwijl dit bij andere wolken juist niet het geval is. In alle
gevallen is de stabiliteit van de atmosfeer van belang op de
hoogte waar de bewolking voorkomt of ontstaat.
Willen we bewolking gaan herkennen dan is het belangrijk om
allereerst naar het uiterlijk van de wolk te kijken. Dit
uiterlijk is afhankelijk van een aantal factoren.
- de samenstelling: water of ijs; zie 9.2.
- de horizontale en verticale afmetingen van de wolk.
- de sterkte en de kleur van het licht dat op de wolk valt.
Schijnt het zonlicht tegen de zijkant, bovenkant of onderkant
van de wolk.
- de plaats van waaruit naar de wolk gekeken wordt. Zien we de
wolk vanaf de zijkant of staan we direct onder de wolk.
Voor het weerbeeld spelen wolken een belangrijke rol of zijn ze
zelfs bepalend. Zo brengen sommige wolken langdurige neerslag
terwijl bij andere wolken de zon nog goed zichtbaar is. Wolken
beïnvloeden ook de hoeveelheid zonnestraling die op het
aardoppervlak valt en de aardse uitstraling. Zo kan bewolking in
winterse nachten een sterke afkoeling van het aardoppervlak
voorkomen en de kans op mist en/of gladheid verkleinen.
9.2
Samenstelling van wolken.
Een wolk bestaat uit een verzameling van uiterst kleine
waterdruppels, ijskristallen of - bij wolken met een
grote verticale ontwikkeling - een mengsel daarvan.
Onder in
zogeheten gemengde wolken komen dan voornamelijk
waterdruppeltjes voor, gevolgd door een laag met
onderkoelde druppeltjes, vervolgens een gemengde laag
met zowel onderkoelde druppeltjes als ijskristallen en
tenslotte daarboven een laag met uitsluitend
ijskristallen (zie figuur verdeling deeltjes in wolk).
Juist
dit verschil in samenstelling van de wolk geeft een heel
ander uiterlijk aan de bewolking. Kijken we naar de
temperatuurverdeling waarbij deze samenstelling
voorkomt, dan kan in het algemeen gezegd worden dat in
het gedeelte van de wolk waar de temperatuur boven nul
graden Celsius is waterdruppels voorkomen. Bij
temperaturen tussen 0 en min12 graden Celsius bestaat de
wolk uit onderkoelde waterdruppeltjes.
Bij een
temperatuur lager dan min 12 graden neemt het aantal
ijskristallen in de wolk toe. In de laag tussen min 12
en min 23 graden komen dan ook zowel onderkoelde
waterdruppels alsook ijskristallen voor. Hoe lager de
temperatuur, des te groter is het percentage
ijskristallen. Is de temperatuur beneden de min 40
graden, dan bestaat de wolk uitsluitend uit
ijskristallen. |
|
 |
Warme wolken'
bestaan uit uitsluitend vloeibaar water; in koude
wolken komt
daarnaast ook onderkoeld water voor en ijs. |
|
| |
 |
|
Schets
van een Cumulonimbuswolk door Luke Howard.
|
|
 |
|
Bij de wolkenindeling let men
op de hoogte van de wolken
(hoog, middelbaar of laag) en op
de vorm (gelaagd/stratiform of
vertikaal ontwikkeld). |
|
 |
|
Op die manier worden drie
wolkenetages (hoog, middelbaar
en laag),
vier wolkenfamilies (hoge,
middelbare en lage bewolking en
stapelwolken) en tien
wolkengeslachten onderscheiden.
Mist is een vorm van stratus en
telt niet afzonderlijk mee |
|
9.3
Wolkenclassificatie (cumuliforme
en stratiforme
bewolking)
Het grote belang van deze
wolkenclassificatie is gelegen in het feit dat als meteorologen het over
bijvoorbeeld altocumulus hebben, iedere meteoroloog zich daar een zelfde
voorstelling van kan maken.
Iedereen heeft wel eens naar de hemel gekeken en de
bewolking bestudeerd. Dit is niets nieuws want al
vele eeuwen kijken mensen geboeid naar het uiterlijk
van de hemel. Bekend is dat zeelieden en boeren de
wolken gebruiken voor het verwachten van het
(lokale) weer. Minder bekend is dat de Engelse
natuurkundige Luke Howard zich al in de 18e eeuw
bezig hield met wolken. Ook hij keek naar de lucht
en zag dat de wolken voortdurend aan veranderingen
onderhevig waren. Gefascineerd door wat hij waarnam,
onderzocht hij of er een bepaalde structuur in te
onderkennen was. Dat bleek inderdaad het geval.
Allereerst ontdekte hij drie verschillen typen
wolken:
- gelaagde bewolking op een en hetzelfde niveau
- opbollende bewolking of stapelwolken die zich meer
in de hoogte leken te ontwikkelen en
- bewolking met een meer vezelachtige structuur.
Ook combinaties van deze verschillende wolkentypen
waren volgens hem mogelijk. Maar nog kon hij niet
alle wolken die hij waarnam, indelen. De stap naar
wolkenclassificatie maakte hij door de genoemde
wolkentypen te combineren met het uiterlijk, de
samenstelling en hoogte van deze wolken. De zo
ontwikkelde classificatie leverde uiteindelijk 10
wolkengeslachten op. Deze indeling wordt nog steeds
wereldwijd gebruikt door de meteorologische
diensten.
|
|
 |
|
De
eerste aanzet tot de wolkenclassificatie werd gegeven
door de Engelsman Luke Howard. |
|
|
De
naamgeving van de wolkengeslachten is in het Latijn
omdat dit in de tijd van Howard de voertaal was voor
wetenschappelijke publicaties.`We zullen deze
wolkengeslachte achtereenvolgens beschrijven.
Allereerst wordt bij de indeling onderscheid gemaakt
wordt tussen "gelaagde" bewolking en "stapelwolken".
Gelaagde bewolking wordt ook wel "stratiform"
genoemd vanwege de vaak grote horizontale
uitgestrektheid van de wolk en gaan in de naamgeving
vergezeld van de term "stratus". Voorbeelden hiervan
zijn Cirrostratus, Altostratus, Nimbostratus en
Stratus; deze bewolkingstypen zijn in het algemeen
achtereenvolgens zichtbaar tijdens de passage van
een warmtefront. Stapelwolken daarentegen worden wel "cumuliforme"
bewolking genoemd omdat dit type bewolking zich
hoofdzakelijk in verticale richting uitstrekt; in de
naamgeving is dit terug te vinden in de term
"cumulus" (ophoping). Wolkennamen met cumulus erin
zijn bijvoorbeeld: Cumulus, Cumulonimbus,
Altocumulus en Cirrocumulus.
|
|
|
|
niveau |
wolkenbasis |
wolkenbasis |
geslacht
|
afkorting |
| hoog |
5 - 13
km |
>
16.500 voet |
Cirrus |
CI |
| |
|
>
16.500 voet |
Cirrocumulus |
CC |
| |
|
>
16.500 voet |
Cirrostratus |
CS |
|
middelbaar |
2 - 7
km |
6500 -
16.500 voet |
Altocumulus |
AC |
| |
|
6500 -
16.500 voet |
Altostratus |
AS |
| laag |
0 - 2
km |
1000 -
6500 voet |
Stratocumulus |
SC |
| |
|
0 -
1200 voet |
Stratus |
ST |
| |
|
500 -
5000 voet |
Nimbostratus |
NS |
|
verticaal |
0,3 -
2 km |
1000 -
6500 voet |
Cumulus |
CU |
| |
|
1000 -
6500 voet |
Cumulonimbus |
CB |
 |
|
Het
wolkenklassificatiesysteem van Howard werd in Nederland
geïntroduceerd door de meteoroloog en fysisch geograaf
F.W.C. Krecke. |
|
9.4
Cumuliforme bewolking
Cumulus (CU)
 |
|
Cumulus,
Wimmenummer duinen. |
|
 |
|
Cumulus,
Oude Schoorlse Zeedijk. |
|
 |
|
Cumulus
congestus, Egmond aan Zee |
|
Deze
afzonderlijke wolken hebben vaak scherpe en duidelijke randen en
ontwikkelen zich in verticale richting. De bovenkant van deze
bewolking ziet er soms uit als een "bloemkool"; dit uiterlijk
wordt veroorzaakt snelheidsverschillen tussen de stijgbewegingen
in de wolk. Doordat cumuluswolken boven land in de meeste
gevallen overdag ontstaan worden ze beschenen door de zon en
zijn ze tegen een heldere achtergrond vaak verblindend wit.
Daarentegen is de onderzijde donkerder doordat het zonlicht in
de wolk verstrooid en geabsorbeerd wordt door de aanwezige
waterdruppels. De hoogte waarop deze wolk voorkomt (en in de
weerkunde gaat het dan over de wolkenbasis), is tussen het
aardoppervlak en circa 2200 m. Soms heeft cumulus een wat meer
gerafeld uiterlijk, bijvoorbeeld doordat er wat meer wind
aanwezig is op de hoogte waarop de bewolking ontstaan is.
Kleinere cumuluswolken noemt men ook wel 'mooiweerwolken', omdat
ze zich ontwikkkelen bij zonnig en helder weer. Als ze zich
verder ontwikkelen of uitspreiden in horizontale richting, is
het met de zon gedaan. Regen valt er echter pas als de cumulus
verder doorgroeit tot een cumuloniombus. (meer
beelden)
Cumulonimbus (CB)
 |
|
Wimmenummer duinen. |
|
 |
|
Wimmenum/Egmond
aan den Hoef. |
|
 |
|
Bergen
aan Zee |
|
Als een
cumuluswolk door verregaande onstabiliteit zich verder verticaal
ontwikkelt en daarbij het niveau bereikt waarbij de temperatuur
en de vrieskernen de waterdruppels boven in de wolk doen
overgaan in ijskristallen, ontstaat de cumulonimbuswolk. Deze
heeft in de meeste gevallen aan de basis een donker uiterlijk en
bezit aan de bovenzijnde een vezelachtige of streperige
structuur, vaak in de vorm van een aambeeld. Uit cumulonimbi
valt neersleg; valstrepen onder de wolk geven daarvoor soms een
aanwijzing. De bovengenoemde uiterlijke kenmerken zijn niet waar
te nemen als er een egaal (donker)grijs wolkendek is waaruit
buiige neerslag valt. In dat geval wordt de cumulonimbuswolk aan
het zicht onttrokken door aanwezige altostratus- of
nimbostratusbewolking. De hoogte waarop deze wolk voorkomt (en
in de weerkunde gaat het dan zoals gezegd over de wolkenbasis)
is tussen het aardoppervlak en circa 2200 m.; de toppen
daarentegen bereiken altijd het niveau waarop ijskristallen
aanwezig zijn en kunnen met name in de zomermaanden, reiken tot
20 km of meer. Veel meer over cumulonimbuswolken is te vinden in
het volgende hoofdstuk. (Meer
beelden)
Stratocumulus
(SC)
 |
|
Stratocumulus,
Loir-et-Cher, Frankrijk. |
|
 |
|
Stratocumulus, Kromme-Rijngebied, Bunnik. |
|
 |
|
Stratocumulus achter Wimmenumer molen |
|
Deze bewolking
is de meest voorkomende in West-Europa en bestaat uit één
wolkenlaag waarin vrijwel altijd donkere en lichtere gedeelten
afwisselend voorkomen. Soms zijn de elementen met elkaar
versmolten en vormen dan een gesloten wolkenlaag. Hoewel deze
wolken overwegend uit waterdruppels bestaan, kan het voorkomen
dat de randen rafelig zijn. Neerslag zal uit deze bewolking
alleen kunnen vallen als het een voldoende dikke laag is,
waarbij dan het uiterlijk van de wolk donkergrijs zal zijn.
Stratocumulusbewolking kan ontstaan als bijvoorbeeld een
mistlaag oplost aan het aardoppervlak, eerst overgaat in stratus
(zie verderop), waarna het lijkt alsof de wolkenbasis verder
stijgt. De hierbij aanwezige turbulentie zorgt dan voor enige
mate van onstabiliteit. Deze bewolking komt ook vaak voor als
aan het eind van de dag de onstabiliteit afneemt en daardoor de
wolkentoppen van de in de loop van de dag ontstane cumuluswolken
inzakken en de wolkenbasis dan wat uitspreidt. (Meer
beelden).
Altocumulus
(AC)
 |
|
Altocumulus,
Loir-et-Cher, Frankrijk. |
|
 |
|
Altocumulus, Kromme-Rijngebied, Bunnik. |
|
 |
|
Altocumulus achter Wimmenumer molen |
|
Bij deze wolken
wisselen openingen en wolkenelementen elkaar vaak op regelmatige
wijze af. De randen zijn meestal gerafeld en de wolken hebben
enige verticale ontwikkeling. Altocumuluswolken met bovenstaande
kenmerken worden ook vaak "schapenwolken" genoemd. Andere
soorten van altocumulus zijn de wolken die meer een lens- of
amandelvormig uiterlijk hebben. Is in de wolkenlaag een rij van
torens of losse elementen in de vorm van (fel witte) vlokken te
onderscheiden, dan is deze bewolking als goede voorspeller van
onweer te gebruiken, meestal binnen 24 uur. Altocumulusbewolking
bestaat doorgaans uit waterdruppels, behalve in die gevallen
waarin de temperatuur zeer lage waarden bereikt en de wolk
daardoor ook ijskristallen bevat.
De altocumuluswolk ontstaat als gevolg van onstabiliteit en/of
turbulentie op een niveau tussen 2200 en 5500 m., bijvoorbeeld
doordat er sterke verschillen in windrichting en/of snelheid
aanwezig zijn tussen twee aangrenzende niveaus. Een andere
ontstaansoorzaak kan zijn dat bewolking van het geslacht
altostratus of nimbostratus overgaat in altocumulusbewolking.(Meer
beelden).
Cirrocumulus
(CC)
 |
|
.Cirrocumulus, Tienhoven. |
|
 |
|
Cirrocumulus, Leerdam. |
|
 |
|
Cirrocumulus, Wimmenum. |
|
Cirrocumulusbewolking zit vrij hoog, namelijk boven de 5500 m.;
daardoor bestaat deze volledig uit ijskristallen. Door de grote
afstand tot het aardoppervlak zijn de afzonderlijke elementen
alleen zéér klein waar te nemen. De elementen zijn wel vaak
(evenals Altocumulus) regelmatig gerangschikt aan de hemel. Deze
helwitte wolken geven de hemel vaak een fraai uiterlijk. Zoals
de naam ook al aangeeft, is er verticale ontwikkeling waar te
nemen bij deze wolken. Ze ontstaan dan ook als gevolg van
wrijvingseffecten nabij een (verticaal) golvend warmtefrontvlak.
In de stijgende luchtbeweging zal de bewolking ontstaan en in de
dalende luchtbeweging zal deze aan oplossing onderhevig zijn.
Ook kan deze bewolking ontstaan in bergachtige gebieden waarbij
aan de lijzijde hiervan in de bovenlucht een golvend patroon
waar te nemen is.(meer
beelden)
9.5
Stratiforme bewolking
Stratus (ST)
 |
|
Stratus,
Groenekan. |
|
 |
|
Stratus,
Markdal, Galder. |
|
 |
|
Stratus,
Camperduin. |
|
Deze wolken
komen hoofdzakelijk voor nabij het aardoppervlak. Soms zelfs
bevindt de basis zich op het aardoppervlak en is er mist.
Doordat deze bewolking dicht bij het aardoppervlak voorkomt,
bestaat ze meestal uit waterdruppeltjes. Alleen als de
temperatuur in de wintermaanden ver beneden het vriespunt ligt,
bestaat de wolk soms uit ijskristallen. Het uiterlijk van de
wolk is een gelaagde grijs wolkendek waarin vrijwel geen
structuur valt te ontdekken. In het algemeen geldt: hoe
donkerder de wolk, des te groter de kans op wat neerslag. Veel
valt er niet uit; het zal hoofdzakelijk licht motregenen, of -
in de winter - motsneeuwen. Soms is de bewolking zo dun dat de
zon door deze wolk heen te zien is; neerslag is dan uitgesloten.
Het ontstaan van mist is in hoofdstuk 7 al aan bod gekomen;
stratus kan ontstaan als de mist, als gevolg van opwarming van
het aardoppervlak, optrekt. Stratus ontstaat ook als in
mistsituaties de wind aantrekt, waardoor er menging van lucht
plaatsvindt. Ook ontstaat stratus nabij het aardoppervlak (tot
ongeveer 300 m. hoogte) als gevolg van het samenspel van
verdamping en condensatie wanneer uit een dikke wolkenlaag
neerslag valt door een minder vochtige luchtlaag.
(Meer
beelden)
Cirrostratus
(CS)
 |
|
Cirrostratus met kring om de zon,
Bergen aan Zee. |
|
 |
|
Cirrostratus met kring om de zon,
Wimmenum. |
|
 |
|
Cirrostratus met kring om de zon, Kreta. |
|
Deze bewolking
bezit meestal het uiterlijk van een doorzichtige, witachtige,
geheel egale wolkensluier. Als gevolg van de hoogte waarop deze
bewolking voorkomt, boven de 5 km, bestaat zij volledig uit
ijskristallen. Vaak zijn fraaie, kleurige lichtverschijnselen
zichtbaar (halo's)
waarvan de bekendste een kring om de zon of maan is. Doordat in
sommige gevallen de cirrostratus zo dun is, is deze kring vaak
de enige aanwijzing dat er cirrostratusbewolking aanwezig is. De
cirrostratusbewolking ontstaat doordat bij nadering van een
warmtefront de warme lucht opglijdt tegen een koudere luchtlaag
en daardoor afkoelt. Het vocht in de lucht condenseert en
bevriest. Cirrostratus kan ook ontstaan als het aambeeld van een
cumulonimbus zich over de hemel uitspreidt. (meer
beelden)
Altostratus
(AS)
 |
|
Altostratus, Oosterschelde. |
|
 |
|
Altostratus, Camperduin. |
|
 |
|
Altostratus, De Bilt. |
|
Deze bewolking
is kenmerkend voor een naderend warmtefront; in hoofdstuk 12
wordt uitgebreid ingegaan op warmtefronten. Altostratus bestaat
hoofdzakelijk uit (onderkoelde) waterdruppels en/of
sneeuwkristallen. Het is een egaal gelaagd wolkendek met een
grijs uiterlijk. Vaak is er een streperige structuur in te
herkennen. Als de bewolking begint binnen te drijven, zijn
sommige gedeelten van de altostratus dun genoeg om nog juist de
positie van de zon er vaag doorheen te kunnen waarnemen. Later
wordt de wolkenlaag dikker en is deze niet meer zichtbaar. In
altostratusbewolking komen géén haloverschijnselen voor. De
altostratusbewolking ontstaat bij een naderend warmtefront
waarbij de cirrostratusbewolking dikker wordt en de basis lager
komt te liggen. De wolkenbasis van de altostratus daalt dan van
maximaal 5500 m. naar soms slechts 2200 m. De altostratus is dan
ook een voorbode van slechter weer, doordat het, zoals
aangegeven, samenhangt met de nadering van het warmtefront van
een depressie. (meer
beelden)
Nimbostratus
(NS)
 |
|
Nimbostratus, Wimmenummer duinen. |
|
 |
|
Nimbostratus,De Bilt. |
|
 |
|
Nimbostratus, Wimmenummer duinen. |
|
Deze meestal
donkergrijze bewolking heeft géén of vage randen. Er valt
onafgebroken regen of sneeuw uit. De wolkenlaag is zo dik dat de
zon niet door het wolkendek heen zichtbaar is. De bewolking
bestaat uit een mengeling van (onderkoelde) waterdruppels,
regendruppels, sneeuwkristallen en sneeuwvlokken. Vaak zijn
gelijktijdig onder het wolkendek nog wolkenflarden (stratus)
aanwezig die snel van vorm veranderen. De hoogte waarop deze
bewolking voorkomt, is afhankelijk van de hoeveelheid neerslag
die uit de bewolking valt. Bij grote hoeveelheden kan de
wolkenbasis zich rond de 200-500m..bevinden; als er weinig regen
uit valt zo rond de 1500-2000m. Deze bewolking vormt zich vaak
op het warmtefrontvlak wanneer het grondfront dicht in de buurt
zit. Door de grote neerslaghoeveelheid zal de wolkenbasis
geleidelijk aan gaan zakken. Nimbostratus heeft een lagere
wolkenbasis dan altostratus en is vele malen donkerder van tint.
(Meer
beelden).
Cirrus (CI)
 |
|
Cirrus,
Bergen aan Zee |
|
 |
|
Cirrus
bij zonsondergang, De Bilt |
|
 |
|
Cirrus,
La Gomera |
|
Cirrusbewolking
komt in verschillende vormen voor, onder andere in de vorm van
vliegtuigwolken. Doordat deze bewolking op grote hoogte
voorkomt, boven 5 km, bestaat zij volledig uit ijskristallen. Ze
is meestal zichtbaar in de vorm van fijne witte draden of smalle
banden.
De bewolking wordt gekenmerkt door de vezelachtige
structuur en een zijdeglans uiterlijk. Doordat er op de hoogte
waarop deze wolk voorkomt, vaak veel wind staat (soms tot wel 75
m/s) wordt de bewolking uitgespreid over de hemel. In de
nabijheid van frontvlakken zal
dit dan zichtbaar worden doordat
aan de voorzijde de wolk een verdikking krijgt (in de vorm van
een hockeystick). Hiermee wordt dan een weersverandering
aangekondigd. Ook kan in sommige gevallen cirrusbewolking het
bovenste restant zijn van een cumulonimbuswolk.
(Meer
beelden)
9.6 Bewolking
op satellietbeelden
Een ander beeld van bewolking krijgen we als we van bovenaf op
de wolken kijken. Dit kan door gebruik te maken van meetgegevens
van satellieten; hieruit worden onder andere weerbeelden
gemaakt. Men maakt daarbij onderscheid tussen
zichtbaarlichtbeelden en infraroodbeelden. Zichtbaarlichtbeelden
tonen zonlicht dat door bewolking of het aardoppervlak is
weerkaatst; je kunt de beelden direct vergelijken met wat je op
een zwartwitfoto zou zien die is gemaakt met een gewone
fotocamera. Wolken reflecteren veel zonlicht en zijn dus wit op
dit type satellietbeelden. Infraroodbeelden kun je vergelijken
met wat je ziet als je met een nachtkijker van bovenaf naar de
atmosfeer kijkt. In feite komt elke grijstint overeen met een
andere temperatuur. Het beeld is zo gemaakt dat koude objecten
(hoge wolken) wit zijn en warme objecten (het aardoppervlak)
zwart.
Hieronder twee voorbeelden van zowel een zichtbaarlichtbeeld als
van een infraroodbeeld van hetzelfde tijdstip, waarop duidelijk
een zone met bewolking is waar te nemen.
 |
Op het
zichtbaarlichtbeeld zijn verschillende grijstinten zichtbaar, welke
afhankelijk zijn van de mate van reflectie van het zonlicht.
Wit voor bewolking die de zonnestraling voor het grootste gedeelte
reflecteert, zwart voor de oceanen welke het zonlicht in grote mate
juist absorberen en voor het land dat slechts een gedeelte van het
zonlicht reflecteert. Ook zijn op deze beelden de bergen van de Alpen
zichtbaar; dat komt doordat de besneeuwde toppen ook het zonlicht voor
een groot gedeelte reflecteren.
Kijkend naar het wit op het satellietbeeld, de bewolking, dan
kunnen we verschillende structuren waarnemen. Zo zien we een duidelijk
krul op de Atlantische Oceaan, kenmerkend voor een lagedrukgebied.
Eromheen zien we de frontale bewolking die zich draaiend richting de het
centrum van het lagedrukgebied beweegt.
Hierin zien we ook afzonderlijke cellen (in de meeste gevallen
cumuliforme bewolking) alsook een gesloten wolkendek (meest stratiforme
bewolking). De langgerekte witte wolkenband over West-Frankrijk en de
Britse Eilanden is een geheel uit stratiforme bewolking bestaand
wolkendek. Het is moeilijk om alleen op basis van dit beeld aan te geven
op welke hoogte deze bewolking zich bevindt. Hiervoor geeft een
infraroodbeeld wat meer informatie. Op dit beeld, van hetzelfde
tijdstip, zien we ook de verschillen in grijstint, die een gevolg zijn
van verschillen in temperatuur. Zo is het land vele malen warmer dan de
bewolking en daardoor donkerder van tint dan de bewolking.
Hoe kouder de bewolking, des te lichter is zij van tint. Een goed
voorbeeld hiervan is het wolkendek ten westen van Noorwegen.
Op het zichtbaarlichtbeeld zien we goed reflecterende bewolking
terwijl de bewolking een grijze tint heeft op het infraroodbeeld.
Aan de hand hiervan kunnen we zeggen dat de bewolking in vergelijking
met het aardoppervlak (zwart) en de hoge bewolking (fel wit) zich
redelijk dicht bij het aardoppervlak bevindt. Waarschijnlijk gaat het om
stratus of stratocumulus. Ook is zichtbaar dat er in de eerder genoemde
langgerekte wolkenband contrast aanwezig is, wat inhoudt dat er gebieden
aan te wijzen zijn waar de temperatuur verschilt met die van de directe
omgeving. Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat de bewolking
zich in deze wolkenband op verschillende hoogten bevindt. Als de
bewolking ook nog verticaal ontwikkeld is (onstabiele atmosfeer), dan is
het mogelijk om aan de hand van dit satellietbeeld iets over de
neerslagintensiteit te melden.
9.7 Tot slot
In het voorgaande zagen we dat bewolking zich voordoet in
talrijke verschijningsvormen. Uit het soort bewolking is vaak af
te leiden welke processen er in de atmosfeer plaatsvinden en
onder wat voor weersomstandigheden de wolken zich vormen. Wolken
kunnen worden bekeken vanaf het aardoppervlak én worden
vastgelegd op satellietbeelden. De beelden helpen niet alleen om
te bepalen waar het zonnig is en waar bewolkt. Uit de patronen
van de bewolking kan namelijk worden afgeleid waar zich fronten,
lagedrukgebieden of andere weersystemen ophouden en hoe die zich
ontwikkelen en verplaatsen. De weersystemen worden uitgebreider
besproken in hoofdstuk 12.
 |
|
Zichtbaar licht met van het zuidwesten uit opkomende
bewolking. |
|
|
 |
|
Infrarood licht met van het zuidwesten uit opkomende
bewolking. |
|
|
|