| |
WAT ZEGT HET WEERBERICHT
Weerberichten worden
veelvuldig gelezen, bekeken, beluisterd en geraadpleegd. Maar snappen we
ook wat er precies bedoeld wordt?
We laten hier een aantal termen en
begrippen de revue passeren.
De
begrippen die in de weerberichtgeving voorkomen, hebben voor
velen een vertrouwde klank. Toch zal de boodschap die de
meteoroloog heeft opgesteld, niet of niet altijd zo worden
begrepen als bedoeld. De opstellers van weerberichten hebben de
termen die ze hanteren, vrij nauwkeurig vastgelegd, maar niet
iedereen weet dat. Onbekendheid met de terminologie wekt soms
ten onrechte hoongelach op. Bijvoorbeeld:
- Eerst regen, later buien: brengen buien soms geen regen?
- Wisselvallig: weten ze het zelf niet?
- Hier en daar een bui: altijd hier, ha, ha. enzovoorts.
We gaan hier na hoe begrippen uit weerberichten en weerpraatjes
gewoonlijk gehanteerd worden. Daarbij zullen we zien dat het
niet alleen gaat om weerkundige termen, maar ook om terminologie
rond kansen en onzekerheden.
|
|
 |
|
Maartse
buien, Workum |
|
 |
|
Maartse
buien, De Bilt |
|
 |
|
Maartse
buien, Workum |
|
Droog weer of regen?
Bijna iedereen wil vooral weten of het op een bepaalde dag
regent of droog blijft. Maar waar ligt de grens tussen nat en
droog? Droog is het als de ruitenwissers niet aan hoeven of als
het regenpak in het hoesje kan blijven', zo hoor je wel beweren.
Meteorologen leggen de grens bij een neerslaghoeveelheid van 0,3
millimeter, bijna een derde liter per vierkante meter. Kleinere
hoeveelheden noemt men dan bijvoorbeeld 'geen regen van
betekenis'. Een grens van 0,3 millimeter is ook nodig om regen
te onderscheiden van mistaanslag in de regenmeters.
In verwachtingen wordt nu eens gesproken over 'regen', dan weer
over 'buien'. Als het enigszins kan, staan de beide begrippen
overigens niet in één en dezelfde verwachtingstekst. Een kop als
'Eerst regen, later buien' is dan ook zeldzaam, maar de
meteoroloog die de verwachting opstelt, maakt wel degelijk
onderscheid tussen regen en buien. Regen treedt bijvoorbeeld op
bij frontpassages. Het kan ook motregenen; bij motregen is de
diameter van de druppeltjes kleiner dan 0,5 millimeter. Buien
leveren doorgaans intensievere neerslag op van kortere duur De
leek zal het overigens worst wezen welk mechanisme de neerslag
opwekt; belangrijker zijn de maatregelen die genomen moeten
worden of de bijstelling van eerdere plannen.
In het winterhalfjaar brengen buien naast regen soms ook
korrelhagel, sneeuw of natte sneeuw; ze kunnen vergezeld gaan
van onweer. In dergelijke gevallen spreekt men van 'winterse
buien', in het voorjaar ook wel van 'maartse buien'. Maartse
buien worden op de Britse Eilanden overigens 'april showers'
genoemd; kennelijk komen ze daar wat later.
 |
|
Regenzone
trekt over Nederland.
In het westen is het al opgeklaard. |
|
 |
|
Buien boven
Nederland
België en Duitsland. |
|
 |
|
Zonnig en
onbewolkt
Nederland. |
|
Zonnig of bewolkt?
Met een alleen maar droge dag nemen de meeste mensen vandaag
de dag geen genoegen meer; de zon moet zich ook laten zien en
niet achter bewolking schuilgaan. De terminologie voor zon en
bewolking is gekoppeld aan het zonneschijnpercentage (zie Tabel
1); dit getal geeft aan hoeveel procent van de tijd tussen
zonsopkomst en zonsondergang de zon te zien is. De grenzen zijn
in de terminologie niet scherp getrokken; de overlap die
optreedt, is deels een gevolg van de beperkte voorspelbaarheid.
Ook de grilligheid van het bewolkingspatroon boven een gebied,
draagt bij aan de noodzaak van overlap.
 |
|
Zonnig |
|
 |
|
Wisselend
bewolkt |
|
 |
|
Veel
bewolking |
|
|
percentage |
zonneschijnterm |
bewolkingsterm |
|
0-20 |
|
Veel bewolking |
|
10-60 |
Wolkenvelden
Wiselend bewolkt
Veranderlijke bewolking
Half tot zwaar bewolkt |
Af en toe zon
Zonnige perioden
Perioden met zon
Opklaringen |
|
40-100 |
Weinig bewolking
Licht bewolkt
Helder, heldere nacht |
Zonnig |
|
Tabel 1.
terminologie voor bewolking en zonneschijn |
Sommige
bewolkingstermen bevatten meer informatie dan sec het overeenkomende
zonneschijnpercentage. Bij 'wisselend bewolkt' gaat het om stapelwolken,
soms uitgroeiend tot een bui, die worden afgewisseld door opklaringen.
Lucht waarin het wisselende bewolkt is, komt gewoonlijk uit richtingen
tussen west en noord; het zicht is goed. 'Wolkenvelden' duiden op
gelaagde bewolking die optreedt als het weer onder invloed staat van
hogedrukgebieden. Er valt meestal geen regen uit, maar als dat wel het
geval is, gaat het om lichte regen of motregen. Bij een 'veranderlijke
bewolking' is zowel wolkensoort als bedekkingsgraad aan sterke
wisselingen onderhevig. 'Helder' is van toepassing bij weinig of geen
bewolking als bovendien de lucht helder is en het zicht goed.
Meteorologen gebruiken soms ook bewolkingstermen die niet in de tabel
staan. Zo heet een verwachte toename in de bedekkingsgraad bijvoorbeeld
'toenemende bewolking', 'meer bewolking' of 'minder zonnig'.
|
Als er uitsluitend
dunne sluierbewolking aanwezig is waar de zon doorheen schijnt,
is het 'vrij zonnig'. 'Laaghangende bewolking' komt vaak voor in
combinatie met mist; als mist optrekt gaat hij namelijk eerst
over in laaghangende bewolking, die op haar beurt door de zon
kan worden weggebrand. Laaghangende bewolking laat doorgaans
weinig licht door en levert daardoor een donker, somber
weerbeeld op. |
|
|
Mist |
<
1000 mtr |
|
Dichte
mist |
< 200
mtr |
|
Zeer
dicht mist |
< 50
mtr |
|
 |
|
Zonnig |
|
 |
|
Veel
bewolking |
|
'Mist' is niets
anders dan bewolking die de grond raakt. In mist is het zicht
teruggelopen tot minder dan 1000 meter.
Is het zicht beter, dan
noemt de meteoroloog het 'nevel'. Het wegverkeer ondervindt bij
de overgang van nevel naar mist nog weinig hinder.
Pas als het
zicht onder de 200 meter zakt, is de mist verkeersbelemmerend:
'dichte mist'. Bij 'zeer dichte mist' is het zicht minder dan 50
meter. Doet de mist zich voor bij temperaturen onder nul, dan
spreekt men van 'aanvriezende mist'. |
 |
|
Aanvriezende mist |
|
 |
|
Aanvriezende mist, Eemskanaal |
|
 |
|
Aanvriezende mist |
|
Temperatuur
Naast zon en regen is de temperatuur een belangrijk weerelement.
De temperaturen worden steeds vergeleken met de 'normale'
waarde, waarmee niets anders bedoeld wordt dan het langjarig
gemiddelde voor de tijd van het jaar.
De beschrijvende terminologie voor temperatuur zoekt aansluiting
bij het gangbare spraakgebruik; voor het exact vastleggen van
een temperatuur hebben we al de waarde in graden Celsius. Bij
middagtemperaturen van vijf tot tien graden boven normaal is het
'zacht' of 'warm'; liggen de maxima evenveel beneden normaal dan
is het 'koud' of 'koel'. De grens tussen zacht en warm ligt bij
20 graden; die tussen koel en koud bij 12 graden. Zijn de
verschillen kleiner dan aangegeven (twee tot zeven graden), dan
is het 'vrij zacht' enzovoort; bij grotere verschillen (acht
graden of meer) wordt het 'zeer zacht'.
 |
|
Terminologie warm en koud. Zie ook Tabel 3
rechts |
|
 |
|
Ach, ik neem de marge van de
voorspellingen altijd wat ruimer
dan het
KNMI zelf .. |
|
Absolute term |
Verschil met lang-jarig gemiddelde |
Maximumtemperatuur |
|
zeer warm |
8 graden of meer |
23 graden C en hoger |
|
warm |
5 t/m 10 graden |
20 graden C en hoger |
|
vrij warm |
2 t/m 7 graden |
20 graden C en hoger |
|
zeer zacht |
8 graden of meer |
19 graden C en lager |
|
zacht |
5 t/m 10 graden |
19 graden C en lager |
|
vrij zacht |
2 t/m 7 graden |
19 graden C en lager |
|
koel |
-2 t/m -7 graden |
12 graden C en hoger |
|
vrij koud |
-2 t/m -7 graden |
11 graden C en lager |
|
koud |
-5 t/m -10 graden |
11 graden C en lager |
|
zeer koud |
8 of meer graden
te koud |
alleen bij winters weer |
|
Temperatuur
om het vriespunt |
-2șC
tot +2șC |
|
Licht
vorst |
-5șC
tot -1șC |
|
Matige
vorst |
-10șC
tot -5șC |
|
Strenge
vorst |
-15șC
tot -10șC |
|
Zeer
strenge vorst |
-15
en lager |
|
'Zeer warm' gebruikt men
echter alleen bij maxima van 23 graden of hoger. In het klimatologisch
jargon spreekt men vanaf 25 graden van een 'zomerse dag'; haalt het kwik
30 graden of meer, dan is het een 'tropische dag'. Ook bij vorst werkt
men met intervallen van vijf graden. Tot -5 graden is de vorst 'licht';
bij 5 tot 10 graden onder nul heet de vorst 'matig'. Wordt het nog
kouder dan vriest het 'streng' of bij temperaturen lager dan -15 graden
'zeer streng'. Komt het kwik na een vorstperiode weer boven nul, dan
spreekt men een etmaal lang van 'dooi'. Eventueel kan het aansluitend
etmaal nog 'aanhoudende dooi' gebruikt worden, maar daarna verdwijnen de
dooitermen uit de weersverwachting. Bij 'lichte dooi' bedraagt de
maximumtemperatuur hooguit plus vier graden.
Men heeft het over 'vorst aan de grond' als het op de
standaardwaarnemingshoogte van 1,5 meter niet vriest, maar wel dichter
bij de grond op 10 centimeter hoogte, waar eveneens waarnemingen worden
verricht. Vroeger werd vorst aan de grond 'nachtvorst' genoemd, maar die
term veroorzaakte zo veel verwarring dat hij is geschrapt.
Bij vorst kan gladheid optreden. Men spreekt van 'bevriezing' van natte
weggedeelten als het ook op de waarnemingshoogte van 1,5 meter vriest.
Is dat niet het geval, maar zakt de temperatuur van bodem en wegdek wel
onder nul, dan heet de oorzaak van de gladheid 'opvriezing'.
Het onderscheid tussen 'middagtemperatuur' of 'maximumtemperatuur' en
'minimumtemperatuur' heeft alleen zin als er sprake is van een zekere
dagelijkse gang; koelt het 's nachts nauwelijks af en loopt ook de
temperatuur overdag niet noemenswaard op, dan volstaat alleen de
temperatuur.
 |
|
Schuimende
branding tijdens storm. |
|
 |
|
Rimpelloos
water bij nagenoeg windstil weer. |
|
 |
|
Stuivend
duinzand tijdens storm. |
|
Wind en windstoten
De windrichting geeft de richting aan waar de wind vandaan
komt. Ze wordt opgegeven in tientallen graden ten opzichte van
het geografisch noorden of in windstreken (noord, oost, zuid,
west) en tussenstreken (noordoost, zuidoost, zuidwest en
noordwest). Het draaien van de wind wordt soms aangeduid met
'krimpen', het draaien tegen de wijzers van de klok in, en
'ruimen', het draaien met de wijzers van de klok mee.
De gemiddelde windsnelheid over een periode van 10 minuten wordt
weergegeven volgens de beaufortschaal voor de windkracht (Tabel
2); bij windstoten gebruikt men meestal kilometer per uur. De
windsnelheid bedraagt bij zware windstoten minstens 75 en bij
zeer zware windstoten meer dan 100 kilometer per uur.
|
|
 |
Weersituaties
De weersituatie van een bepaalde periode of belangrijke elementen
daarvan kunnen soms overtuigend worden samengevat in een enkel
trefwoord. Zo is het, als er enige tijd weinig wind staat, 'rustig
weer'. Staat er juist veel wind, veelal met vlagerige regen of buien,
dan heet het 'onstuimig'. Is het vochtig en te koud, dan heet het 'kil',
soms ook 'waterkoud'. 'Benauwd', 'broeierig' of 'drukkend' is het bij
vochtig en warm weer. Een warme, vochtige nacht is 'zoel'. Bij 'guur'
weer is het te koud, er staat een stevige wind, veelal uit het
noordwesten en het is vochtig of er treden buien op. Ook bij 'schraal'
weer is het te koud en staat er vrij veel wind, meestal oost of
noordoost, maar de lucht is droog. Een vorstperiode met niet te veel
wind en overdag zon biedt 'helder vriesweer'. Tijdens 'kwakkelweer'
wisselen vorst in de nacht en dooi overdag elkaar af.
Kenmerkend voor 'wisselvallig' is een vaste opeenvolging van
achtereenvolgens veel bewolking en regen, een wisselende bewolking met
enkele buien en een wat rustiger periode met wat zon en vrijwel overal
droog weer. Deze cyclus kan zich een aantal malen achtereen herhalen;
gaat hij bij voortduring vergezeld van veel wind, dan wordt het weer ook
wel als 'onbestendig' of 'onstandvastig' gekarakteriseerd. De hier
geschetste afwisseling kan ook helemaal ontbreken; het weer is dan
'bestendig' of 'standvastig'.
Tussen 'tropisch warm' en 'ijzig koud' gaapt een gat van tientallen
graden; 'ijzig koud' is het alleen als er voldoende wind staat om de kou
doordringend en goed voelbaar te maken, bijvoorbeeld een 'snijdende
noordooster'. Naast 'ijzig koud' is er ook 'bitter koud'; de begrippen
zijn beide niet nauwkeurig afgebakend met temperatuurgrenzen of
voorwaarden voor de windsnelheid.
Het KNMI spreekt van een 'hittegolf' als de maximumtemperatuur in De
Bilt gedurende een periode van ten minste vijf dagen elke dag 25 graden
of hoger is en bovendien op drie of meer dagen een waarde van 30 graden
of meer bereikt.
Kansen
en onzekerheden, plaats en tijd
Weerberichten bevatten niet alleen zogeheten prikwaarden van
weerelementen, maar ook kansen op of frequenties van gebeurtenissen
(bijvoorbeeld een bui of mist) die kunnen optreden. Vergelijk
bijvoorbeeld: mogelijk een bui, plaatselijk een bui, kans op een bui,
een enkele bui, enkele buien, buien. Of: plaatselijk mist, enkele
mistbanken, op veel plaatsen mist, mogelijk mist, kans op mist. In de
weerberichtgeving wordt zorgvuldig gekozen voor de formulering die men
in de gegeven situatie het meest geëigend acht. Een eenduidig verband
tussen omschrijving en kanspercentage is er niet; onderzoek of opsteller
en gebruiker van het weerbericht op een lijn zitten ontbreekt.
|
|
Ook het tijdstip waarop een gebeurtenis plaatsvindt, begint of
ophoudt is van belang. Voor een gebied ter grootte van Nederland
zal dit van plaats tot plaats variëren; regen komt bijvoorbeeld
vaak uit het zuidwesten, bereikt Zeeland dus het eerst en breidt
zich van daar verder over het land uit. Bij buien is vaak wel te
voorspellen dát ze ergens optreden in een bepaalde periode, maar
niet hoe laat en waar precies; in een weersverwachting mag men
daarover dan ook geen harde uitspraken verwachten. Uitspraken
als eerst (regen), later (enkele opklaringen) geven soms, hoe
onbevredigend ook, toch redelijk goed weer hoe de situatie op
dat moment ingeschat kan worden.
Sommige tijdsaanduidingen worden niet eenduidig geïnterpreteerd;
zo verstaan sommigen onder de 'namiddag' de tweede helft van de
middag, terwijl anderen er de hele periode tussen 12 en 18 uur
onder verstaan. Verder liggen ook de grenzen tussen de avond,
nacht en ochtend niet precies vast, laat staan dat men kan
aangeven wanneer de 'nanacht' overgaat in de 'vroege ochtend'.
Gebiedsaanduidingen in weerberichtgeving kunnen eveneens
aanleiding geven tot misverstanden. Vroeger hoorde men vaak
zinsneden als 'ten noorden van de grote rivieren', die een
abrupte overgang en scherpe grenzen suggereren. Windstreken
vormen ook niet altijd een oplossing; bedenk maar eens wat u zou
willen verstaan onder het oosten of het westen van het land en
vergelijk het resultaat met de indeling, zoals die gebruikt
wordt in de filemeldingen.
Een zinsnede die ook wel eens verkeerd wordt begrepen, is 'in
het binnenland', gewoonlijk gebruikt in tegenstelling tot 'langs
de kust',
'aan zee' of 'in de kustprovincies'. Horen Zuid-Limburg en Twente bij het binnenland of is een grotere
afstand tot de grens met Duitsland en België vereist?
Tegenwoordig kiest men in dit soort situaties meestal voor
landinwaarts.
Hogedrukgebieden, depressies en fronten
Tot nog toe beperkten we ons tot begrippen uit korte
weersverwachtingen. Weerpraatjes bevatten meestal echter nog
andere, niet genoemde termen, ontleend aan de meteorologische
vaktaal. De bekendste voorbeelden hiervan zijn hogedrukgebieden
en depressies; ze zijn ook te vinden op de weerkaartjes in de
krant.
Het begrip 'depressie' kent als synoniemen
'lagedrukgebied' en 'storing'; uitsluitend in België worden
hogedrukgebieden ook wel 'anticyclonen' genoemd. Bij storingen
gaat het gewoonlijk om kleine, snel trekkende depressies; ze
verplaatsen zich vaak rond een veel groter, min of meer
stilliggend lagedrukgebied en heten dan wel 'randstoring', maar
nooit randdepressie of randlagedrukgebied. Hogedrukgebieden en
depressies spelen in de weerkunde een belangrijke rol. Dat komt
doordat meteorologen al meer dan een eeuw lang luchtdrukpatronen
analyseren op weerkaarten en weten welk weertype ermee
samenhangt. |
Vermoedelijk hebben de
weersystemen die in de weerpraatjes genoemd worden, voor veel lezers en
luisteraars alleen een signaalfunctie. Lagedrukgebieden worden,
gewoonlijk terecht, in verband gebracht met slecht weer, bewolking,
regen en veel wind. Hogedrukgebieden worden, in het winterhalfjaar vaak
ten onrechte, geassocieerd met mooi, zonnig en droog weer.
Seizoenen
De begrippen voorjaar, zomer, lente en winter zijn algemeen bekend.
Minder bekend is dat de astronomische seizoenindeling afwijkt van die in
de meteorologie, waar de seizoenen niet op de 21e of de 23e van de maand
beginnen, maar op 1 maart, 1 juni, 1 september en 1 december. Bij de
overzichten wordt de gehanteerde seizoenindeling gewoonlijk nog eens
nadrukkelijk vermeld.
Extreem warme en zonnige zomers en koude winters hebben aan het
toegemeten kwartaal vaak niet genoeg; de warmte strekt zich dan meestal
ook uit tot de maanden mei en september, de kou tot
november en maart. Indices om uitzonderlijke zomers en winters in
volgorde te kunnen rangschikken, maken daarom vaak tevens gebruik van
weergegevens uit omliggende maanden.
|
|