| |
MEER OVER ZICHT
Wie het weer wil
weten, heeft aan informatie over temperatuur, zon en regen vaak al
genoeg. Soms vraagt men ook nog naar de wind, maar het zicht komt
zelden ter sprake. Alleen als je slechts tweehonderd meter ver kunt
kijken en het wegverkeer er hinder van ondervindt, krijgt het zicht
meer aandacht. Meteorologen zijn veel vaker met het zicht bezig. In
de scheepvaart en de luchtvaart zijn namelijk ook andere
zichtwaarden belangrijk.
 |
|
Nevel,
Torensduin, Egmond aan Zee. |
|
|
 |
|
Goed zicht,
Torensduin, Egmond aan Zee. |
|
 |
|
Heiig,
Torensduin, Egmond aan Zee. |
|
|
 |
|
Mist,
Torensduin, Egmond aan Zee. |
|
1. Zicht
vanaf het Torensduin in Egmond aan Zee met dorp, vuurtoren
en Noordzee. a.) goed zicht met een duidelijke begrenzing
tussen de horizon en de hemel. De vuurtoren ligt op
vierhonderd meter, de kim op ongeveer vijftien kilometer b.)
nevel. c.) heiig; de Noordzee en de kim zijn nagenoeg
verdwenen. d.) mist. Alleen de contouren van (de dakkapellen
van) de woningen in de Zuiderstraat onder aan het duin maken
nog aannemelijk dat de foto van dezelfde positie is genomen
als foto's 1a, 1b en 1c.
Voor een beschrijving van
het zicht beschikken we over een paar algemene termen. Bij helder weer
(figuur 1a) is het zicht goed. Als stof- of vuildeeltjes een
zichtvermindering veroorzaken is het heiig (figuur 1c). Komt het wazige
zicht door waterdruppeltjes, dan spreekt men van nevel (figuur 1b). De
nevel mag het zicht echter niet te sterk belemmeren; dan heet het mist
(figuur 1d). Maar waar liggen de grenzen?
Het onderscheid tussen nevel
en heiigheid is lang niet altijd goed te maken of te zien. Voor mist is
wel een duidelijke bovengrens vastgesteld: als de 'nevel' zo dicht is
dat het zicht minder dan een kilometer bedraagt, is het mistig. Daarmee
zijn we er nog niet.
In sneeuwbuien of bij hevige regenval kan het zicht
ook tot onder de duizend meter teruglopen (figuur 2d). En het uitdrukken
van het zicht in een getal blijkt ook nog eens geen eenvoudige zaak. Je
moet afspreken waar je naar kijkt', zegt Jan Hemink,
luchtvaartmeteoroloog en docent luchtvaartmeteorologie bij het KNMI in
De Bilt. 'Op welke afstand je een object ziet, hangt van veel zaken af.
Zo is de belichting of verlichting van het object belangrijk. Ook het
contrast met de omgeving speelt een rol. In het donker kijk je vooral
naar lichtbronnen.
Dan is de sterkte van de lamp bepalend. Koplichten
van een auto zie je nu eenmaal eerder dan stadslichten.'
 |
|
goed zicht. |
|
|
 |
|
matig zicht in regen; de rivier is nog vrij goed te zien |
|
 |
|
slecht zicht in sneeuw; de rivier is op de opname
nauwelijks terug te vinden. |
|
|
 |
|
verder teruggelopen zicht tijdens zware sneeuwval, maar
dankzij de begroeiing is te zien dat de waarneempositie
dezelfde is als bij de foto's 2a, 2b en 2c |
|
2. Zicht over de
uiterwaarden van de Neder Rijn op de Betuwe en het Lexkesveer
Wageningen-Randwijk vanaf de Wageningse Berg.
Definities
De benodigde afspraken liggen vast in definities. Er zijn er
verschillende in omloop en Jitze van der Meulen, als KNMI-onderzoeker
betrokken bij het internationaal overleg over de bij zichtmetingen te
hanteren procedures, kent ze allemaal. 'Het meteorologisch zicht dat een
waarnemer moet schatten, is de grootste afstand waarop een voldoende
groot zwart voorwerp met als achtergrond de lichte hemel nabij de
horizon kan worden gezien en herkend', somt hij de meest gebruikte
omschrijving op. 'Let vooral op het woord herkennen' benadrukt hij,
'wél
zien maar niet weten wat je ziet, is niet genoeg. De beoordeling van al
of niet herkennen is natuurlijk wel subjectief, dus
waarnemerafhankelijk.'
's Nachts heb je weinig aan zo'n definitie van contrastzicht, geeft Van
der Meulen toe. 'Zodra het donker is, zie je vooral nog lampen en andere
lichtbronnen. Dan wordt gelet op de zichtbaarheid van lampen met geringe
lichtsterkte en spreekt men van het lampenzicht, oudere meteorologen en
waarnemers zelfs van vurenzicht.' De definitie blijkt toch niet helemaal
sluitend: de detectie hangt af van de belichtingssterkte en de
gevoeligheid van het netvlies, dus van de waarnemer. Om de
afhankelijkheid van een waarnemer uit de definitie te halen, werd het
begrip 'meteorological optical range' (MOR) geïntroduceerd. 'De MOR is
de lengte van de weg die licht door de atmosfeer moet afleggen om de
lichtsterkte van een lamp terug te brengen tot vijf procent van de
oorspronkelijke waarde', heeft Van der Meulen ook deze definitie paraat.
'In die zichtbepaling is geen rol weggelegd voor het menselijk oog.'
Instrumenten
Om de afhankelijkheid van de mens te omzeilen, geeft men dan ook
steeds meer de voorkeur aan zichtmeting met instrumenten. 'Dat
kan op twee manieren:', zegt Hannelore Bloemink, onderzoekster
bij de Instrumentele Afdeling van het KNMI, 'met
transmissometers en met strooilichtmeters'.
Een transmissometer
(figuur 3) bestaat uit een zender die lichtflitsen produceert en
een ontvanger, die meet hoeveel licht er uit een bundel is
verdwenen. Op de ontvanger zit een filter om de karakteristieken
van een standaard menselijk oog zo goed mogelijk na te bootsen.
Vaak zijn er twee ontvangers op verschillende afstanden van de
zender: een op twaalf meter voor de slechte zichtwaarden en een
op 75 meter voor de wat betere omstandigheden. Het bereik van de
in Nederland gebruikte transmissometers loopt van acht meter tot
drie kilometer. |
|
 |
|
3.
Lichtzender (boven) en dichtstbijzijnde ontvanger van de
transmissometeropstelling op het waarneemterrein van het
KNMI in De Bilt. |
|
|
|
|
|
 |
|
4. Strooilichtmeter. Links de schuin naar beneden gerichte
houder van de lichtbron, rechts de eveneens schuin naar beneden
gerichte detector van het door de lucht verstrooide licht. |
|
 |
|
6. Grondmist boven de Wageningse uiterwaarden. |
|
Een
strooilichtmeter of scatterometer (figuur 4) bepaalt hoeveel
licht de lucht verstrooit. Ook hierbij zijn weer een lichtbron
en een detector nodig. Voor de bepaling van het zicht gebruikt
de strooilichtmeter maar een klein beetje lucht: 0,1 liter.
'Toch is zo'n puntmeting in de meeste gevallen voldoende om
algemeen geldige zichtwaarden in de atmosfeer te bepalen van
tien meter tot vijftig kilometer', aldus Bloemink. "Je moet
natuurlijk wel het onderhoud op orde hebben', meldt ze nog, 'wat
inhoudt: regelmatig "poetsen" van de beschermglazen en filters
van de instrumenten.'
Gebruikers
Bij de bepaling van het zicht is het van belang om te weten wat
er met de resultaten wordt gedaan. Zo is voor weggebruikers een
verdere opsplitsing naar hoe dicht de mist is, handig bij de
berichtgeving. Mist levert het wegverkeer namelijk weinig hinder
op zolang het zicht niet te sterk is afgenomen. In de
verkeersinformatie wordt gewoonlijk pas voor mist gewaarschuwd
als het zicht onder tweehonderd meter zakt; de mist is dan
dicht. Als het zicht verder teruggelopen is tot minder dan
vijftig meter, waarschuwt men voor zeer dichte mist.
De zichtwaarden die
de KNMI-waarneemstations rapporteren, hoeven overigens niet
noodzakelijkerwijs precies de situatie weer te geven op de weg.
De dichtheid van de mist fluctueert namelijk van plaats tot
plaats en varieert tevens met de hoogte.
Ook hangt
het zicht soms af van de richting waarin je kijkt. Daarnaast zijn
koplampen en mistachterlichten van auto's relatief heldere lichtbronnen,
waarbij de lichtsterkte van het honderd-watt-lampje uit de definitie van
lampenzicht verbleekt. Verder meten de instrumenten op de
waarneemstations het zicht op ooghoogte: 1,75 meter, wat voor de
weggebruiker niet altijd de meest relevante hoogte hoeft te zijn.
In de
luchtvaart laat men zich evenmin afschepen met honderd-watt-lampjes. De
baanlichten van de luchthavens geven aanzienlijk meer licht. Vooral bij
slecht zicht en in het donker kan een piloot die een landing inzet,
relatief ver zien; daarmee kan het vliegveld ook langer open blijven.
Daarom werkt men met het baangebonden zicht, in luchtvaartkringen
doorgaans aangeduid als runway visual range (RVR).
Om dit baanzicht te
kunnen bepalen moet ook de achtergrondhelderheid worden gemeten.
Zichtmeters op luchthavens zijn dan ook altijd uitgevoerd met een achtergrondhelderheidsmeter. Verder staan de instrumenten voor
luchtvaartgebruikers opgesteld op een hoogte van
2,5 meter; een piloot
zit nu eenmaal wat hoger dan een gewone burger of weggebruiker.
De afstanden waarover men moet kunnen zien, zijn in de luchtvaart veel
langer dan bij het wegverkeer. Voor veel vluchten zonder instrumenten
geldt een minimaal zicht van acht kilometer. Andere zichtdrempels zijn
vijf kilometer en anderhalve kilometer; vandaar het belang van
uitgebreider zichtinformatie dan waarmee het wegverkeer kan volstaan.
Op Schiphol beschikken alle banen over eigen zichtmeters. Daarnaast zijn
er op enige afstand van de luchthaven extra meetpunten ingericht. Ook de
scheepvaart heeft niet genoeg aan de waarneemstations van het KNMI.
Langs de toegangswegen tot de wereldhavens van Rotterdam en Antwerpen
bevinden zich langs de Nieuwe Waterweg en de Westerschelde aanvullende
zichtmeetposten.
Luchtvaartwaarnemers
In het voorgaande kan de suggestie zijn gewekt dat de menselijke
waarnemer volledig uit het zicht is verdwenen. 'In de luchtvaart varen
we eigenlijk nooit blind op instrumenten', zegt Joost Postma, zelf
luchtvaartwaarnemer op Schiphol. Aan de wand in zijn werkruimte met
uitzicht over de luchthaven hangt een grote, gedetailleerde kaart met
een aantal markante punten in de wijde omgeving. Zo weet hij hoe ver die
objecten weg zijn en kan daarmee visueel het zicht bepalen. 'Een
zichtmeter doet niet meer dan een puntmeting, wij overzien de situatie
in alle richtingen en kunnen zo een vollediger beeld schetsen', licht
Postma het verschil tussen een automatische en een visuele waarneming
toe. De manier waarop dat vollediger beeld geschetst moet worden, werd
overigens onlangs nog veranderd. 'Vroeger moesten we het zicht opgeven
in de richting waar de slechte zichtwaarden optraden. Dan moet je bij
een mistbank of een hevige regenbui op afstand een heel veld sluiten. De
militairen werken trouwens nog steeds zo', weet Postma, die als docent
luchtvaartwaarnemen veel samenwerkt met de Luchtmacht. 'Op Schiphol
melden we de luchtvaart tegenwoordig het overheersend zicht. In
luchtvaartjargon: prevailing visibility.
We bepalen het zicht in acht
sectoren. De door ons opgegeven zichtwaarde wordt in ten minste de helft
daarvan bereikt of overschreden.' Als het zicht te sterk terugloopt, is
er geen overzicht meer te krijgen; dan verlaten Postma en zijn collega's
zich wél op de instrumenten.
Weergeïnteresseerden
'Wie belangstelling heeft voor het zicht op een bepaald moment,
kan terecht op NOS-Teletekst of de KNMI-website op internet',
maakt Postma ons wegwijs in het woud van zichtwaarnemingen.
Inmiddels weten we dat de zichtwaardes die daar staan veelal op
verschillende manieren tot stand gekomen zijn. Teletekstpagina
705 en KNMI/actueel geven de zichtwaarden van de
KNMI-waarneemstations op basis van instrumentele waarnemingen.
Op Terschelling en in Vlissingen, Lelystad en De Bilt staan de
zichtmeters wat lager dan op de overige stations, die bij
vliegvelden liggen.
Teletekstpagina 707 (figuur 5) en KNMI/actueel/luchtvaart
richten zich op de luchtvaart. De weerrapporten voor de
luchtvaart noemt men METAR. Automatisch gegenereerde METARs
werken met instrumentele zichtwaarnemingen; de instrumenten
staan op 2,5 meter hoogte. Is de METAR gemaakt door een
luchtvaartwaarnemer, dan is het zicht visueel vastgesteld als
dat drie kilometer of meer bedraagt. De waarneemhoogte varieert
en wordt bepaald door de hoogte van de werkruimte van de
waarnemer, inclusief de bijbehorend terrassen en platforms, en
de eventuele toegang tot een dak. Amsterdam, Rotterdam,
Groningen en Maastricht geven het overheersend zicht; de
militaire waarnemers het klassieke meteorologisch zicht, waarbij
de kortste zichtwaarde in een van de kijkrichtingen bepalend is.
Waarnemers van bemande weerstations rapporteren ook grondmist
(figuur 6) als deze zich voordoet; de mist mag dan niet hoger
komen dan twee meter en daarboven moet het zicht meer dan tien
kilometer bedragen. |
|
 |
|
5. Actuele zichtwaarden van een aantal vliegvelden op
teletekstpagina 707. De gele getallen geven de zichtwaarden in
meters. Is het zicht meer dan tien kilometer, dan staat er 9999
of cavok. De zichtwaarden bedragen2400 meter in Woensdrecht (ehwo)
en Eindhoven (eheh) of meer. |
|
De
zichtwaarden die worden genoemd in de verkeersinformatie van
teletekstpagina's 710 en 730, kunnen ook gebaseerd zijn op waarnemingen
van politie of wegenwacht. De afhankelijkheid van de waarnemer in
dergelijke rapporten is doorgaans groter dan bij geoefende,
professionele weerwaarnemers. Door al deze verschillen blijft het zicht
op het 'werkelijke zicht', zo er al zoiets bestaat, beperkt.
Zenit
november 2006.
|
|