| |
RARE RADARBEELDEN
|
|
|
Beelden van de weerradar laten zien waar het regent en waar het droog is. Dat
zou je in eerste instantie althans verwachten. Toch tonen radarbeelden soms
rariteiten die niets van doen hebben met regen, sneeuw of hagel. Nu eens gaat
het om verschijnselen in de atmosfeer, dan weer zijn storingen in de apparatuur
de oorzaak. Een radar
zendt radiogolven uit met een golflengte
van enkele centimeters tot enkele
meters. Signalen die een voorwerp op
afstand treffen, worden teruggekaatst en
opgevangen door een ontvanger. Het
voorwerp, bijvoorbeeld een vliegtuig,
bevindt zich in de richting waarin de
radiogolven zijn uitgezonden en waaruit
ze worden terugontvangen. |
 |
|
Toren van het KNMI
in De Bilt. |
|
 |
|
De radar en
ontvanger zitten in de witte bol |
|
 |
|
De radar en
ontvanger zitten in de witte bol |
|
De afstand kan worden berekend uit het tijdverschil
tussen het uitzenden van het signaal en het weer terugontvangen daarvan. In
1938 werden voor het eerst op deze manier vliegtuigen waargenomen en gevolgd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het principe verder uitontwikkeld en radar
raakte meer en meer in gebruik. Daarbij bleek dat niet alleen schepen en vliegtuigen
op het radarscherm verschenen; ook neerslaggebieden waren zichtbaar. Dat bood
nieuwe gebruiksmogelijkheden, die na de oorlog door meteorologische diensten
met beide handen werden aangegrepen.
 |
|
Werking radar voor
het volgen van vliegtuigen |
|
 |
|
Werking buienradar. Verklaring: zie
tekst. |
|
 |
|
Werking buienradar. Verklaring: zie
tekst. |
|
 |
|
Weerradarlocaties in Europa. |
|
 |
|
2. Momentopname van een radarbundel
die de hemel aftast op zoek naar neerslaggebieden. De bundel draait
rond in een nagenoeg horizontaal vlak. Door de kromming van de aarde
is de afstand van de bundel tot het aardoppervlak groter bij grotere
afstand tot de radarantenne en -ontvanger. Een lagere bundel zou ook
nog de neerslag van de bui rechts kunnen detecteren; een hoger bundel
is geschikter voor neerslag in de buurt van het radarstation. Vandaar
dat een radar meerdere scans uitvoert met verschillende.elevaties.
Bron: KMI, Ukkel.
|
Vandaag de dag worden dan ook grote delen van Europa en Noord-Amerika bestreken
door weerradars. De gegevens zijn handig om te zien waar het regent, hoe hard
het regent, hoeveel er in het totaal valt, hoe de regen zich verplaatst en of
de regen valt uit buien of uit grootschalige neerslaggebieden. Bij buien en
buienclusters volgt de radar tevens de ontwikkeling en meet hij de hoogte van
de wolkentoppen; ook kan uit radarinformatie afgeleid worden of er hagel voorkomt.
Als de buien vergezeld gaan van zware windstoten, gebruikt de meteoroloog de
radarbeelden om te voorspellen waar de windstoten op welk tijdstip zullen aankomen.
Radarbeelden helpen ook bij het vinden van gebieden in de atmosfeer waar piloten
ernstig rekening moeten houden met ijsaanzetting aan hun vliegtuig. |
Om beelden zoals hier afgebeeld, te maken, plaatst men de weerradar bij voorkeur
op een hoog punt, zoals op een heuvel of op een toren (figuur 1). De radiogolven
met een golflengte van ruim 5 cm. worden uitgezonden in een smalle, vrijwel
horizontale bundel, die langzaam ronddraait. Dat gebeurt in kortstondige pulsen
van 2 ms.
Cirkelvormen
Tussen uitzenden en terugontvangen van het radarsignaal verstrijkt een korte
tijd, die wordt bepaald door de afstand van het neerslaggebied tot de radar.
Zo kan men in alle richtingen de plaats van eventuele neerslaggebieden bepalen.
De resultaten worden geplot op een ondergrond met een kaart. Het proces wordt
een aantal malen herhaald met een steeds een iets grotere elevatie (hoek tussen
de bundel en een horizontaal vlak); op die manier komt ook neerslag in de buurt
van de radarpost in beeld (zie figuur 2). Elke scan levert de neerslaginformatie
voor een ringvormig gebied rond de radar. Dat is duidelijk te zien als er een
storing optreedt tijdens een van de scans, zoals in de situaties van figuur
3. Bij figuur 3a is er een probleem met een hogere scan dan in de figuren 3b
en 3c. Omdat de ringvormige gebieden de positie van de radar als middelpunt
hebben, kunnen we concluderen dat de storing zich in de gevallen van de figuren
3a en 3b voordoet in De Bilt. De andere radarlocatie in Nederland is Den Helder,
waar de storing van figuur 3c zich voordeed.
Het rode, ringvormige patroon met sterke reflecties in figuur 3d heeft niets
te maken met een storing; het wordt veroorzaakt door een smeltzone. Smeltende
sneeuw reflecteert radarstraling namelijk beter dan 'gewone' waterdruppels of
droge sneeuw. De doorsnede van de kegelvormige radarscan met de horizontale
laag waarin de sneeuw smelt, levert de cirkelvorm.
 |
|
Figuur-1 |
|
 |
|
Figuur-2 |
|
 |
|
Figuur-3 |
|
 |
|
Figuur-4 |
|
3. Radarbeelden bij storing in de apparatuur in een van de scans.
De scan van (1) is een hogere dan die van (2) en (3). De problemen doen zich voor
in het radarsysteem dat ligt in het middelpunt van de ringen; in het geval van
(1) en (2) is dat het systeem in De Bilt, bij (3) was dat in Den Helder. Bron:
KNMI, De Bilt. 4.) De cirkelvorm in dit radarbeeld is geen storing, maar een zogeheten
'bright band', veroorzaakt door een smeltzone. Bron: Environment of Canada.
Klik op de figuren voor een animatie of vergroting indien
aanwezig.
Blinde vlekken
Het bereik van de radar wordt beperkt door de kromming van de aarde. Naarmate
de afstand tot de radarpost groter is, komt de bundel hoger boven het aardoppervlak
te liggen. Een andere factor die het bereik beïnvloedt, is de mate van
verzwakking van het signaal door de atmosfeer en daarin voorkomende neerslag.
Soms is die begrenzing vrij abrupt, zoals in het geval van figuur 4a. Het lijkt
of de regen boven Noord-Frankrijk ophoudt, maar op latere radarbeelden (niet
afgebeeld) blijkt de grens niet te veranderen. In de linkeronderhoek ligt als
het ware een blinde vlek. Overigens zijn de radargegevens op een dergelijke
afstand van de zender en ontvanger altijd minder nauwkeurig en minder betrouwbaar
dan dichterbij.
In incidentele gevallen is de verzwakking van het radarsignaal al veel dichter
bij de radar zo effectief dat daarachter niet meer kan worden waargenomen of
er sprake is van regen. Dat was bijvoorbeeld het geval tijdens de passage van
een buienlijn op 7 juni 1997. Het overtrekken van de buien werd in beeld gebracht
door de radar van Den Helder; de radar van De Bilt was op dat moment buiten
bedrijf. Op de Noord-Hollandse kust bevond zich even boven het Noordzeekanaal
een actieve bui waaruit veel regen viel. Uit de zwarte kleur van deze 'pit'
is af te leiden dat de neerslagintensiteit er meer dan 30 mm/uur bedraagt. De
neerslag schermt het gebied erachter volledig af; alleen in combinatie met voorgaande
en volgende beelden is te bepalen dat het in de witte, blinde strook boven Zuid-Holland
eveneens regende.
De afscherming van het 'achterland' kan ook veroorzaakt worden door gebouwen.
Zo werd in 1994 niet ver van het KNMI een hoog kantoorgebouw geplaatst van de AMEV (nu Fortis), dat zich in het door de radar afgetaste gebied bevond. Tegenwoordig
wordt er voor deze verstoring van het radaruitzicht gecorrigeerd en heeft de
gebruiker van radarbeelden nauwelijks nog hinder van het gebouw. In de begintijd
was dat nog niet het geval: het gebouw liet dan een blinde strook achter in
de regengebieden voor de Zeeuwse kust (fig.4c).
 |
|
Figuur-1 |
|
 |
|
Figuur-2 |
|
 |
|
Figuur-3 |
|
4. Blinde vlekken op radarbeelden.
1.) De cirkelvormige
begrenzing van het neerslaggebied is schijn; daarachter zit meer neerslag, die
echter niet meer kan worden waargenomen. 5 juni 2000, 7.45 UT. 2.) De droge
zone boven Zuid-Holland, vanuit radarpositie Den Helder bezien achter de donkere
'pit' met hoge neerslagintensiteit, is schijn en niet zichtbaar op eerdere en
latere beelden. De zware bui schermt het achterliggende gebied af tegen de radarstraling
en maakt de daar aanwezige neerslag onzichtbaar. 3.) Een gedeelte van een regenzone
voor de Zeeuwse kust, is onzichtbaar voor de radar door een hoog kantoorgebouw
in de omgeving van de Bilt. 2 juni 1994, 8.30 UT. Bron: KNMI, De Bilt. Klik
op de figuren voor een animatie of vergroting indien aanwezig.
Confetti
Radarbeelden tonen geregeld een rommelig reflectiepatroon, waarbij het lijkt of
er confetti over het beeld is uitgestrooid. Figuur 5a geeft een voorbeeld van
dergelijke zogeheten 'clutter' boven de Noordzee en boven land ten noorden van
de grote rivieren; tegelijkertijd nadert vanuit het zuiden een buienzone, die om
op het tijdstip waarop het radarbeeld betrekking heeft, boven Zeeland,
Noord-Brabant en Limburg ligt. Boven land is de clutter door het programma dat
de nabewerking van de radarbeelden verzorgt, gemakkelijker te verwijderen dan
boven zee, zoals bijvoorbeeld is te zien op figuur 5b. Het satellietbeeld van
figuur 5c is van hetzelfde tijdstip als figuur 5b en bevat geen bewolking, laat
staan neerslag, in het gebied met 'sea clutter'. In een enkel geval, zoals
bij figuur 5 d), mislukt de verwijdering van de grondclutter. Op voorgaande en
volgende beelden (niet afgebeeld) is vrijwel geen clutter te zien; het getoonde
beeld zit er vol mee. De clutter ontstaat als de radarstralen zo door de
atmosfeer worden afgebogen, dat ze weer op het aardoppervlak terecht komen.
Onder die omstandigheden kunnen zeegolven of objecten op het aardoppervlak
reflecties veroorzaken, die weer door de ontvangstapparatuur van de radar worden
waargenomen. Dit effect, ook bekend als 'abnormale propagatie' of kortweg 'anaprop',
treedt bijvoorbeeld op als er een temperatuurinversie aanwezig is. Een
spectaculair geval van anaprop deed zich voor in de situatievan figuur 5d. De
radar waarvan dit beeld afkomstig is, staat in Wideumont op het plateau van
Recogne in de Ardennen. Ook al schijnt de zon in België volop, toch zijn er
grote zones met radarreflecties.
 |
|
Figuur-1 |
|
 |
|
Figuur-2 |
|
 |
|
Figuur-3 |
|
 |
|
Figuur-4 |
|
5. Confettipatronen op
radarbeelden. 1.) Clutter boven de Noordzee en boven Nederland ten
noorden van de grote rivieren.
Boven Zeeland, Noord Brabant en Limburg
ligt een buiengebied. 10 mei 2000. 2.) Sea clutter boven de Noordzee, 16
juli 2002, 12.40 UT. 2.) Bijbehorend NOAA-satellietbeeld van 16 juni
2002, 12.32 UT, toont geen neerslag op de plaats van de echo's in c.).
d.)
Mislukte grondclutterverwijdering, 16 juni 2002, 3.30 UT. e.)
Mislukte grondclutterverwijdering, 19 juni 2006, 4.10 UT. f.) Anaprop,
12 oktober 8.47 UT. Een hogedrukgebied strekt zich over geheel Europa
uit en veroorzaakt o.a. in België zonnig weer.
Toch toont de radar van Wideumont talrijke reflecties. Bron a.), b.), d) en e.): KNMI, De Bilt.
Bron f.): KMI, Ukkel.
Klik op de figuren voor een animatie of vergroting indien
aanwezig.
Overige effecten
In sommige situaties toont de radar andere (schijnbare) reflecties, die eveneens
niet voor neerslag aangezien mogen worden.
Dat is bijvoorbeeld het geval als de
zon of een andere radarbron precies in de ontvanger schijnt. In dat geval toont
het radarbeeld een bundel die zijn oorsprong lijkt te hebben in het radarstation
en gelijkmatig uitwaaiert in de richting van de bron van het stoorsignaal
(figuur 6a). Verder kunnen zwermen vogels of insecten nu en dan op
radarbeelden worden gezien en gevolgd. Soms zijn ook stofdeeltjes of
luchtwervels in het geding. Dergelijke verschijnselen doen zich meestal voor op
warme zomerdagen in de onderste 1000-2000m van de dampkring. Tijdens militaire
oefeningen wordt soms 'antiradarsneeuw' (chaff) in de atmosfeer gedropt. Meestal
gaat het om kleine staniolstroken, die geordend zijn in smalle, sterk
reflecterende banden. Ze worden door de wind worden meegevoerd en kunnen geruime
tijd gevolgd worden. Voorbeelden van antiradarsneeuw geven de figuren 6b en 6c.
 |
|
Figuur-1 |
|
 |
|
Figuur-2 |
|
 |
|
Figuur-3 |
|
6. Radarbeelden met
storingsbron, 15 juni 2004 (1.) en antiradarsneeuw (chaff) 2.) boven
Noord-Nederland, 8 juni 2000, 13.15 UT. 3.) Boven Vlaanderen en het
aangrenzend gedeelte van de Noordzee, 27 mei 2004, 13.00 UT. Bron: KNMI,
De Bilt. Klik op de figuren voor een animatie of
vergroting indien aanwezig.
|
|