De zichtmeter
In de meteorologie worden de volgende grootheden met betrekking tot zicht onderscheiden:

1:
Meteorological Optical Range (MOR), ook wel meteorologisch dagzicht genoemd; dit is de afstand, waarop een zwart voorwerp
    van voldoende grootte tegen een heldere horizon nog net te zien en te herkennen is en waarbij de specifieke eigenschappen van
    het menselijk oog en de achtergrondhelderheid (AH) geen rol spelen.

2:
Waargenomen Zicht (VIS), is het visueel bepaalde zicht, waarbij de mate van duisternis, uitgedrukt in achtergrondhelderheid (AH)
    en de aanwezigheid van lichtbronnen wel een rol spelen. Uit VIS en AH kan een waarnemer volgens WMO voorschrift de
    MOR herleiden.

3:
Visual Range (VR). De VR heeft echter betrekking op de presentatie van het zicht aan gebruikers en is gebaseerd op
    eigenschappen van het menselijk oog. Een VR, die uitsluitend in de luchtvaart wordt gebruikt voor de herkenning van start- en
    landingsbanen is de Runway Visual Range (RVR).

Voor het vaststellen van het meteorologisch zicht werd vroeger gebruik gemaakt van bekende objecten in de omgeving van de     waarnemingslocatie. De betrouwbaarheid was afhankelijk van de objectiviteit van de waarnemer. Bij duisternis was de waarnemer afhankelijk van lichtbronnen in de omgeving. De lichtbronnen hadden verschillende lichtsterkte waardoor de zichtwaarde richting afhankelijk was. Voor het luchtverkeer op luchthavens is het zicht op de landingsbaan belangrijk.

Omdat landingsbanen gemarkeerd worden door verlichting waarvan de lichtsterkte bekend is, is het eenvoudiger om de "Runaway Visual Range" te bepalen dan het meteorologisch zicht. Hierbij moest de waarnemer die op de landingsbaan stond de aantal zichtbare lampen tellen en deze waarneming aan de luchtverkeersleider door te geven. Sinds 1965 met de introductie van transmissometers die op verschillende plaatsen langs de landingsbaan staan opgesteld kan men bij de luchtverkeersleiding op elk moment de RVR vastellen.

De Runway Visual Range is speciaal voor de luchtvaart gedefinieerd. De "Range"is de afstand waarover de piloot van een vliegtuig op ca. 5 meter boven de centrale lijn van de landingsbaan de baan kan zien.
 
 
Opstelling transmissometer: links de zender en rechts twee ontvangers (KNMI)
 
De transmissometer.
Dit instrument bepaalt het lichtdoorlatingsvermogen van de atmosfeer (de transmittivity), en daaruit de zogeheten trans- missiefactor. Uit deze factor kan de lichtabsorbsie worden bepaald en de Meteorological Optical Range (MOR) worden afgeleid.

Een transmissometer bestaat uit een lichtbron die hoogfrequent lichtpulsen (zichtbaar of infrarood) van zeer korte duur en zeer grote constante intensiteit uitzendt. Door middel van een parabolische spiegel, lenzenstelsel en diafragma's wordt een smalle, evenwijdige lichtbundel geproduceerd. De zender is op een hoogte van 1.5 tot 2.5 gemonteerd.

Een lichtdetector (of ontvanger) die de ontvangen lichtsterkte kan vast- stellen, en deze sterkte in relatie kan brengen met de lichtsterkte van de uitgezonden lichtpuls. De detector is eveneens gemonteerd op een mast en bevindt zich op dezelfde hoogte boven het aardoppervlak als de zender.

Vaak worden er twee ontvangers gebruikt die op verschillende afstanden van de zender staan. Dit heeft te maken dat het meetbereik van een transmissometer beperkt is. Om aan het gestelde bereik (10 m tot 1500 m) voor RVR bepalingen te kunnen voldoen wordt op luchthavens gebruik gemaakt van een ontvanger op 12 mtr voor slecht omstandigheden zoals mist en zware regen, een tweede ontvanger staat op en afstand van 75 mtr voor beter omstandigheden.
 
Meting van de RVR op een vliegveld.
((kees Floor)
 
Scatterometer Vliegveld De Kooy
  Scatterometer
De scatterometeropstelling bestaat uit één mast van 1,7 tot 2,5 meter hoogte, waarop gemonteerd zijn:

1: een lichtbron vergelijkbaar met de lichtbron in de transmissometer- opstelling
    (flitslamp met licht in het IR gebied);
2: een ontvanger die de hoeveelheid verstrooid licht meet van een optisch volume
    bestraald door de lichtbron.

Hierbij wordt licht gemeten dat is verstrooid onder een hoek van ca.33°. De grootte van deze intensiteit in relatie tot de intensiteit van het uitgezonden licht is afhankelijk van grootte en aantal deeltjes in dit verstrooiingsvolume, ook wel "sample volume"genaamd.
 
Uit de meting en kennis omtrent genoemd verband volgt een schatting van de zogeheten extinctiecoëfficiënt waaruit MOR kan worden herleid. Door middel van vergelijkende metingen tussen scatterometer en trans missometer kan deze kennis worden verkregen.

Sensor achtergrondhelderheid
Op de zender van de transmissometeropstelling, alsmede op de top van de mast van de scatterometeropstelling, is een sensor gemonteerd ten behoeve van de meting van de achtergrondhelderheid.
 


Bronnen: Wikipedia, KNMI,