De wolkenhoogtemeter
De wolkenhoogtemeter kan de hoogte van de bewolking meten van vijfentwintig tot vijfentwintigduizend voet (acht meter tot ruim acht kilometer). Het apparaat zendt in bovenwaartse richting een lichtpuls uit. De puls bevat geen zichtbaar licht, maar straling in het nabije infrarood. Indien de lichtpuls wolkendruppels of andere deeltjes treft, wordt een gedeelte van het uitgezonden licht teruggekaatst.

De hoogte waarop die deeltjes zich bevinden wordt dan bepaald uit het tijdsverschil tussen het moment waarop de puls wordt uitgezonden en het moment waarop de gereflecteerde puls wordt terugontvangen. Uit het verticale verloop van de sterkte van het terugontvangen signaal, wordt de basishoogte van wolkenlagen afgeleid. Als de bewolking niet te zwaar is kan de wolkenhoogtemeter ook twee of drie wolkenlagen detecteren.

Techniek en specificaties:

Het door het KNMI operationeel gebruikte instrument voor de meting van
de wolkenhoogte is een LD40 wolkenhoogte meter.
Fabrikant: Vaisala (voorheen: Impulsphysik).

Meetprincipe:
De sensor maakt gebruik van het zgn. LIDAR-principe: LIght Detection And Ranging.
 
Wolkenhoogte meter
 
1: een lichtbron zendt een verticale laserpuls uit;
2: een sensor ontvangt het gereflecteerde cq –verstrooide signaal;
3: het tijdverschil en de intensiteit van het teruggekeerde signaal bepalen respectievelijk de hoogte en de concentratie van de
    deeltjes (aantal deeltjes per volume);
4: de gradiënt van het ontvangen signaal als functie van de hoogte bepaalt of de reflectie geschiedt als gevolg van bewolking,
    neerslag of andere objecten. In het laatste geval is sprake van een beperkt verticaal zicht.
 
Lichtbron:
De lichtbron is een laser die met een frequentie van 6494Hz pulsen uitzendt in het nabije infrarood (855 nm).

Sensor:

De detector ontvangt het gereflecteerde cq –verstrooide signaal. Gemeten wordt het tijdsverschil tussen het uitzenden van een puls en de ontvangst van het teruggekaatste c.q. verstrooide licht. Uit dit tijdsverschil kan de hoogte worden afgeleid van het deeltje dat de reflectie veroorzaakte. De detector registreert in tijdsintervallen van 50 nsec, hetgeen correspondeert met hoogte- intervallen van 25 voet. De openingshoek van de sensor is ongeveer 1.2 mrad (ca.0,069 booggraden).
Daarmee bestrijkt het instrument een gebied met een diameter van ongeveer 12 m op 10 km hoogte. De zender en ontvanger hebben een gescheiden optisch pad. Hierdoor zullen de bundels van de uitgezonden laserstraal en de openingshoek van de detector elkaar pas overlappen boven een hoogte van ongeveer 300 voet.

Een wolkenbasis lager dan 300 voet wordt gedetecteerd doordat als gevolg van meervoudige verstrooiing in de wolk toch een signaal van de laser in de detector komt. Door analyse van het tijdsverschil en de sterkte van het geregistreerde signaal kan dan, ondanks het onbekende traject vanwege de meervoudige reflecties, toch een goede inschatting van de wolkenhoogte worden gemaakt.
 
Werking Laser ceilometer
 
Het verticale bereik van de sensor is van 25 tot en met maximaal 43000 voet met een meetnauwkeurigheid van 25 voet. De sensor geeft uiteraard alleen de bewolking die over de sensor trekt. Het maximale verticale bereik van de sen- sor zal in aanwezigheid van een optisch dikke wolk of in een troebele atmos- feer minder zijn. Met name bij neerslag zal de sensor een groot verstorend signaal ontvangen. In het algemeen geeft de sensor ook in deze omstandighe- den de wolkenbasis correct weer en niet de neerslag. In situaties dat de sensor compleet in de mist staat meldt de sensor bewolking op 25 voet. De sensor registreert het maximale meetbereik bij de meting. In een troebele atmosfeer of bij een dikke wolkenlaag geeft de sensor hiermee aan dat geen informatie beschikbaar is boven het maximale bereik.
 
Opstelling wolkenhoogtemeter:
De wolkenhoogtemeter staat niet verticaal opgesteld, maar helt onder een hoek van 5° naar het noorden. Er is gekozen voor deze opstelling omdat met deze opstelling het signaal van neerslag enigszins wordt onderdrukt in vergelijking met het signaal van bewolking. Zwevende wolkendruppels zijn bolvormig en de terugverstrooiing is daarom gelijk bij een verticale of schuine opstelling van de wolkenhoogtemeter. Vallende neerslag daarentegen is afgeplat. Bij een schuine opstelling zal het terugverstrooide signaal minder zijn dan bij een verticale opstelling omdat het deeltje niet meer symmetrisch is ten opzichte van de verstrooiingsrichting.

Signaalverwerking:

De sensor meet voor iedere uitgezonden puls het terugverstrooide vermogen als functie van de tijd c.q. hoogte. Deze zogenaamde backscattercoëfficiënt is een maat voor het aantal en grootte van deeltjes zoals wolkendruppels, regen- druppels en/of aërosol (stof of andere vaste deeltjes) op de betreffende hoogte in de atmosfeer. Omdat het uitgezonden vermogen van één laserpuls onvoldoende is om bewolking goed te kunnen detecteren, wordt het ontvangen signaal van meerdere pulsen geïntegreerd. Op deze manier wordt de bijdrage van ruis onderdrukt in het voordeel van het werkelijke signaal.
 
Laser ceilometer
 
opbouw wolkenhoogtemeter
  Tevens wordt de systematische bijdrage van ruis, die per instrument gekarak- teriseerd is door metingen verricht bij afgedekte ontvanger, van de meting afgetrokken. In het aldus verkregen backscatterprofiel, dat elke 15 seconden* door de sensor wordt ververst, wordt vervolgens gezocht naar de signatuur van wolken. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de waarde van de backscatterco- efficiënt alsmede de gradiënt ervan om neerslag en aërosol van wolkendrup- pels te kunnen onderscheiden.

Afhankelijk van de hoogte wordt het backscat- ter signaal geïntegreerd over 15 tot 120 seconden en worden andere criteria voor wolkendetectie gebruikt. Om de detectie van hoge cirrus bewolking mogelijk te maken vindt zelfs integratie over 10 minuten plaats in combinatie met middeling over hoogte-intervallen.
Detectie meerdere wolkenlagen:
De sensor kan melding maken van de volgende situaties:

1: een onbewolkte situatie;
2: 1, 2 of 3 wolkenlagen gedetecteerd;
3: er is een obstructie waargenomen, maar deze voldoet niet aan de criteria voor bewolking.

De laatste situatie wordt door de sensor gemeld als onbewolkt, maar met een verticaal zicht. Deze situatie komt soms voor bij hevige neerslag of sneeuw. De sensor kan maximaal 3 wolkenlagen tegelijk detecteren (indien aanwezig en mits de onderliggende wolkenlagen voldoende transparant zijn). Boven- dien kunnen hogere lagen zonder optische beperking waargenomen worden, indien gedurende een deel van de middelingstijd tijdelijk geen sprake was van lagere wolkenlagen (bijvoorbeeld omdat deze lagen bestaan uit voortdrijvende losse wolken).



Bronnen: KNMI Handboek-H15-1
, Vaisala