| |
KNMI'06 klimaatscenario's:
Samenvatting
In elk KNMI'06 scenario komen een
aantal dezelfde kenmerken van de
klimaatverandering in Nederland en
omgeving naar voren:
- de opwarming zet
door, hierdoor komen
zachte winters en warme
zomers vaker voor
- de winters worden
gemiddeld natter en ook
de extreme
neerslaghoeveelheden
nemen toe
- de hevigheid van
extreme regenbuien in de
zomer neemt toe, maar
het aantal zomerse
regendagen wordt juist
minder
- de berekende
veranderingen in het
windklimaat zijn klein
ten opzichte van de
natuurlijke grilligheid
- de zeespiegel blijft
stijgen
|
|
|
|
Gegevens per scenario voor
2050 en 2100
In de onderstaande tabellen zijn
de klimaatveranderingen rond
2050 (tabel 1) en 2100 (Tabel 2)
uitgedrukt in cijfers per
klimaatscenario (figuur 1).
Elk van de vier
klimaatscenario’s geeft slechts
één getal voor de verandering in
een variabele, behalve bij de
zeespiegelstijging waarvoor de
bandbreedte is aangegeven.
De getallen zijn voor heel
Nederland gelijk: er is geen
differentiatie naar provincie of
streek. De getallen kunnen
indicatief ook voor de
stroomgebieden van Maas en Rijn
worden gebruikt (met
uitzondering van de Alpen).
Fig.1 Schematisch
overzicht van de vier
KNMI'06
klimaatscenario's voor
Nederland. Zie rechts
legenda voor
toelichting. |
|
Tabel 1.
Klimaatverandering in
Nederland rond 2050
ten opzichte van het
basisjaar 1990 volgens
de vier KNMI'06
klimaatscenario's. Het
klimaat in het basisjaar
1990 is beschreven met
gegevens van 1976 tot en
met 2005. Onder “winter”
wordt hier verstaan
december, januari en
februari, “zomer” staat
gelijk aan juni, juli en
augustus.
|
|
2050 |
G |
G+ |
W |
W+ |
|
Wereldwijde
temperatuurstijging
|
+1°C |
+1°C |
+2°C |
+2°C |
Verandering
in luchtstromings-
patronen in West Europa |
nee |
ja |
nee |
ja |
|
Winter |
|
|
|
|
|
gemiddelde
temperatuur |
+0,9°C
|
+1,1°C |
+1,8°C
|
+2,3°C
|
|
koudste
winterdag per jaar |
+1,0°C
|
+1,5°C |
+2,1°C
|
+2,9°C
|
|
gemiddelde
neerslaghoeveelheid
|
+4% |
+7% |
+7% |
+14% |
|
aantal
natte dagen (≥0,1 mm)
|
0% |
+1% |
0% |
+2% |
10-daagse
neerslagsom die eens
in de 10 jaar wordt overschreden |
+4% |
+6% |
+8% |
+12% |
hoogste
daggemiddelde
windsnelheid per jaar |
0% |
+2% |
-1% |
+4% |
|
Zomer
|
|
|
|
|
|
gemiddelde
temperatuur |
+0,9°C
|
+1,4°C |
+1,7°C |
+2,8°C |
|
warmste
zomerdag per jaar
|
+1,0°C |
+1,9°C |
+2,1°C
|
+3,8°C |
|
gemiddelde
neerslaghoeveelheid
|
+3% |
-10% |
+6% |
-19% |
|
aantal
natte dagen (≥0,1 mm)
|
-2% |
-10% |
-3% |
-19% |
dagsom
van de neerslag die eens
in de 10 jaar wordt overschreden |
+13% |
+5% |
+27% |
+10% |
|
potentiële
verdamping |
+3% |
+8% |
+7% |
+15% |
|
Zeespiegel
|
|
|
|
|
|
absolute
stijging
|
15-25 cm
|
15-25 cm
|
20-35 cm
|
20-35 cm
|
|
|
|
Tabel 2.
Klimaatverandering in
Nederland rond 2100
ten opzichte van het
basisjaar 1990 volgens
de vier KNMI’06
klimaatscenario’s. Het
klimaat in het basisjaar
1990 is beschreven met
gegevens van 1976 tot en
met 2005. Onder “winter”
wordt hier verstaan
december, januari en
februari, “zomer” staat
gelijk aan juni, juli en
augustus.
|
|
2100 |
G |
G+ |
W |
W+ |
Wereldwijde
temperatuurstijging
in 2100 |
+2°C |
+2°C |
+4°C |
+4°C |
Verandering
in
luchtstromings-
patronen in West Europa |
nee |
ja |
nee |
ja |
|
Winter |
|
|
|
|
|
gemiddelde
temperatuur |
+1,8°C
|
+2,3°C |
+3,6°C
|
+4,6°C
|
|
koudste
winterdag per jaar |
+2,1°C
|
+2,9°C |
+2,1°C
|
+2,9°C
|
|
gemiddelde
neerslaghoeveelheid
|
+7% |
+14% |
+14% |
+28% |
|
aantal
natte dagen (≥0,1 mm)
|
0% |
+2% |
0% |
+4% |
10-daagse
neerslagsom die eens
in de 10 jaar wordt overschreden |
+8% |
+12% |
+16% |
+24% |
hoogste
daggemiddelde
windsnelheid per jaar |
-1% |
+4% |
-2% |
+8% |
|
Zomer
|
|
|
|
|
|
gemiddelde
temperatuur |
+1,7°C
|
+2,8°C |
+3,4°C |
+5,6°C |
|
warmste
zomerdag per jaar
|
+2,1°C |
+3,8°C |
+4,2°C
|
+7,6°C |
|
gemiddelde
neerslaghoeveelheid
|
+6% |
-19% |
+12% |
-38% |
|
aantal
natte dagen (≥0,1 mm)
|
-3% |
-19% |
-6% |
-38% |
dagsom
van de neerslag die eens
in de 10 jaar wordt overschreden |
+27% |
+10% |
+54% |
+20% |
|
potentiële
verdamping |
+7% |
+15% |
+14% |
+30% |
|
Zeespiegel
|
|
|
|
|
|
absolute
stijging
|
35-60 cm
|
35-60 cm
|
40-85 cm
|
40-85 cm
|
|
Gevolgde methode
De toekomstige temperatuurverandering op
aarde, zoals berekend door de
belangrijkste mondiale klimaatmodellen (GCM’s),
is gebruikt als uitgangspunt bij het
maken van de nieuwe klimaatscenario’s
voor Nederland. Hiervoor zijn de
resultaten gebruikt van de 23 GCM's, die
ook voor het vierde IPCC rapport dat in
2007 uitkomt gebruikt worden. Bovendien
is onderzocht hoe volgens die
klimaatmodellen de luchtstroming boven
West Europa verandert (figuur 2).
Deze mondiale projecties zijn ‘vertaald’
naar meer gedetailleerde veranderingen
in temperatuur, neerslag, verdamping,
wind, en zeespiegel in Nederland.
Hiervoor is gebruik gemaakt van een
groot aantal regionale klimaatmodellen (RCM’s)
voor Europa (PRUDENCE-project), en van
historische meetreeksen afkomstig van
Nederlandse stations.
Vooraf is de kwaliteit van de gebruikte
GCM- en RCM-simulaties voor het huidige
klimaat onderzocht door vergelijking met
waarnemingen (figuur 3).
 |
|
Fig.2
Schematische weergave
van de gebruikte methode
voor het afleiden van de
KNMI'06
klimaatscenario's. Voor
de scenario's is gebruik
gemaakt van kennis van
het klimaatsysteem op
mondiale, regionale en
lokale schaal. |
|
|
 |
|
Fig.3
Vergelijking tussen
berekende (blauw) en
waargenomen (zwart)
hoeveelheid neerslag op
zomerdagen voor het
stroomgebied van de
Rijn. De berekeningen
zijn uitgevoerd met het
KNMI regionale
klimaatmodel RACMO2. De
neerslaghoeveelheid bij
een herhalingstijd van
100 wordt eens per 100
dagen overschreden.
Modelberekeningen voor
1961-1990 komen goed
overeen met de
waarnemingen uit die
periode. Dit geeft
vertrouwen in de
toekomstberekeningen
voor 2071-2100 (rood). |
|
Kennis van het klimaatsysteem, zoals
vastgelegd in wetenschappelijke
publicaties, vormt de basis voor de
nieuwe scenario’s. Een uitgebreide
beschrijving met alle relevante
bronvermeldingen en verwijzingen naar de
wetenschappelijke literatuur is te
vinden onder "Achtergrondinformatie".
Keuze temperatuur +1°C en +2°C
De bandbreedte in de wereldwijde
temperatuurstijging in 2100 (+ 1 °C tot
+ 6 °C ten opzichte van 1990) van
recente GCM-simulaties is zowel aan de
lage als aan de hoge kant iets groter
dan de bandbreedte in het meest recente
rapport van het Intergovernmental Panel
on Climate Change (IPCC) uit 2001. De
hier gebruikte wereldwijde
temperatuurstijging in 2100 van +2°C en
+4°C (met bijbehorende
temperatuurstijging in 2050 van
respectievelijk +1°C en +2°C) ligt
binnen de spreiding van deze GCM’s.
Beleidsdoelstelling Nederland:
maximaal +2°C
Een wereldwijde temperatuurstijging van
+2°C in 2050 of +2°C in 2100 moet niet
worden verward met de maximum
toelaatbare waarde van +2°C die
Nederland en de EU tot doelstelling
hebben gekozen om gevaarlijke menselijke
verstoring van het klimaatsysteem te
voorkomen. Die beleidsdoelstelling heeft
betrekking op stabilisatie op 2°C boven
preïndustrieel niveau, terwijl het in de
KNMI scenario’s gaat om de
temperatuurstijging ten opzichte van
1990. Het jaar 1990 wordt ook in de
IPCC-rapportages als basisjaar gebruikt.
De wereldwijde temperatuurstijging van
+2°C in 2100 is hetzelfde als in het
oude ‘centrale’ klimaatscenario van het
KNMI uit 2000. De stijging van +4°C in
2100 sluit goed aan bij het oude ‘hoge’
scenario.
Keuze wel of geen verandering in
luchtstromingspatronen
De meeste van de gebruikte GCM’s
(geselecteerd op een goede weergave van
de luchtstromingspatronen boven Europa)
laten ofwel nauwelijks verandering van
de luchtstromingspatronen in de zomer en
winter zien, ofwel een duidelijke
verandering in beide seizoenen. Op basis
hiervan is gekozen voor twee scenario’s
met verandering van de luchtstroming en
twee scenario’s zonder verandering. De
laatste twee scenario’s sluiten goed aan
bij de oude KNMI klimaatscenario’s uit
2000, waarin eveneens werd uitgegaan van
onveranderde luchtstromingspatronen.
Wat zit niet in de scenario’s?
De nieuwe klimaatscenario’s beschrijven
geen abrupte klimaatveranderingen,
bijvoorbeeld ten gevolge van het
volledig stilvallen van de ‘Warme
Golfstroom’ of snelle zeespiegelstijging
door het instabiel worden van de grote
ijskappen op Groenland en West
Antarctica. Klimaatmodellen vertonen
voor deze aspecten nog grote
tekortkomingen door onvoldoende
wetenschappelijke kennis over deze
fenomenen. Bovendien zijn de
aanwijzingen voor snelle veranderingen
in de waarnemingen erg onzeker.
De scenario’s omvatten eveneens geen
fenomenen waarvan onzeker is of ze
realistisch zijn, zoals ‘superstormen’
die veel zwaarder zijn dan ooit in
Europa voorgekomen. Nieuwe inzichten
worden zonodig bij een volgende
actualisatie verwerkt.
Jaar-op-jaar variatie wordt niet
expliciet meegenomen in de scenario's.
Of deze in de toekomst zal veranderen
moet nog verder worden geanalyseerd.
Klimaatscenario’s ‘op maat’
Scenario’s voor een andere tijdshorizon,
scenario’s voor de overgangsseizoenen
(lente en herfst), of scenario’s die
uitgaan van andere wereldwijde
temperatuurstijgingen zijn niet altijd
eenvoudig af te leiden door lineair te
interpoleren of te extrapoleren. Het
KNMI blijft, in aanvulling op de KNMI'06
scenario’s, klimaatscenario’s ‘op maat’
maken. Ook worden de consequenties van
de eerder genoemde abrupte veranderingen
met grote gevolgen in kaart gebracht
voor specifieke gebruikers, bijvoorbeeld
om na te gaan wat de effecten zijn van
versneld afsmelten van ijskappen op de
zeespiegelstijging na 2100.
WB21 en KNMI'06 scenario's:
overeenkomsten en verschillen
Overeenkomsten
De IPCC projecties voor mondiale
temperatuurstijging zijn als
uitgangspunt gebruikt. De mondiale
temperatuurstijging van +2 °C in 2100
(of +1 °C in 2050) ten opzichte van 1990
wordt zowel in het oude "centrale"
scenario gebruikt als in de nieuwe G en
G+ scenario's. Een temperatuurstijging
van +4 °C in 2100 (of +2 °C in 2050) ten
opzichte van 1990 wordt zowel in het
oude "hoge" scenario gebruikt als in de
nieuwe W en W+ scenario's
Als basisjaar wordt 1990 gebruikt (de
gebruikte referentie periode om het
klimaat in 1990 te beschrijven,
verschilt wel)
Verschillen
In de KNMI'06 scenario's zijn zowel de
wereldwijde temperatuurstijging als ook
de mogelijke verandering in
luchtstromingspatronen gebruikt voor de
indeling van de scenario’s. In de WB21
scenario’s werd alleen de wereldwijde
temperatuurstijging gebruikt als
“stuurparameter”, en werd verondersteld
dat de luchtstromingspatronen niet
zouden wijzigen
Voor de KNMI'06 scenario’s zijn recente
uitkomsten geanalyseerd van een groot
aantal klimaatmodellen. Voor de WB21
scenario’s was slechts een beperkt
aantal klimaatmodellen beschikbaar en
daaruit werd alleen de wereldwijde
opwarming en zeespiegelstijging
gebruikt. Met de nieuwe analyses is de
samenhang tussen de wereldwijde
opwarming, veranderingen in de
luchtstroming boven West Europa en
klimaatverandering in Nederland
systematisch in kaart gebracht. Het is
voor het eerst dat dit gedaan is door de
uitkomsten van een scala aan mondiale en
regionale klimaatmodellen en meetreeksen
te combineren
Het “lage” WB21 scenario is vervallen.
Deze waarde ligt buiten de range uit het
IPCC rapport uit 2001. Bovendien is de
waargenomen wereldwijde
temperatuurstijging sinds 1990 zo sterk
dat dit “lage” scenario (+0,5 °C tot
2050) weinig waarschijnlijk lijkt
In de WB21 scenario's is de
temperatuurstijging in Nederland gelijk
is aan de wereldwijde
temperatuurstijging. In de KNMI'06
scenario's is dit niet het geval. Vooral
in de scenario's met verandering in
luchtstromingspatronen is de
temperatuurstijging in Nederland groter
dan de wereldwijde temperatuurstijging
De hevige neerslag in de winter neemt in
de KNMI'06 scenario's minder toe dan in
de WB21 scenario's
In de WB21 scenario’s werd nog de
relatieve zeespiegelstijging (inclusief
bodemdaling; figuur 4) gegeven. De
waargenomen bodemdaling in de 20e eeuw
varieerde echter zo sterk per locatie
(0-40 cm), dat het weinig relevant lijkt
een gemiddelde bodemdaling voor
Nederland te gebruiken
Relatie met Milieu en
NatuurPlan-scenario’s
Klimaatmodellen gebruiken
veronderstellingen over de uitstoot van
broeikasgassen en stofdeeltjes in de 21e
eeuw. Daarbij horen beelden van hoe de
wereldbevolking, economie, en techniek
zich ontwikkelen. Het Milieu en
Natuurplanbureau (MNP) gebruikt
dergelijke wereldbeelden voor het maken
van sociaal-economische
toekomstscenario’s voor Nederland. Deze
wereldbeelden kunnen echter niet 1 op 1
aan de KNMI klimaatscenario’s worden
gekoppeld.
Onzekerheid over toekomstige emissies
van broeikasgassen en stofdeeltjes
veroorzaakt slechts een klein deel van
de verschillen tussen de KNMI
klimaatscenario’s voor 2050. De grootste
onzekerheid is te wijten aan verschillen
in modelberekeningen ten gevolge van de
beperkte kennis van het klimaatsysteem.
Grofweg kan wel worden gezegd dat de G
en G+ scenario’s beide beter passen bij
de wereldbeelden B1 (mondiale
solidariteit) en B2 (zorgzame regio) van
het MNP, terwijl de W en W+ scenario’s
beide beter passen bij de wereldbeelden
A1 (mondiale markt) en A2 (veilige
regio).
Bron: KNMI |
|